Soms komt eenzelfde onderwerp je in een kort tijdsbestek meermaals tegemoet vanuit verschillende invalshoeken. De eventuele link tussen een dichter / schrijver en diens biografie kwam ik de afgelopen twee weken vier keer tegen, telkens op een verschillende manier.
Eerstens in de Poëziekrant, in een stuk van Geert Lernout over Paul Claes’ vertaling van Eliots The Waste Land. : ‘Ik betwijfel ten zeerste dat het allemaal zo eenvoudig is en vind het zelfs jammer dat een belangrijk gedicht zo gereduceerd wordt tot een neerslag van iets zo banaals als een affaire tussende de goddeloze wetenschapsfilosoof en de neurotische en blijkbaar door iedereen als losbandig beschouwde dichtersvrouw.’ (Poëziekrant, maart 2008, p.39)
Daarna in een stuk van Eveline Vanfraussen in Nieuwzuid nr 28 over Susan Sontag, de in 2004 overleden Amerikaanse essayiste die voornamelijk over andere schrijvers schreef en zichzelf uit haar geschriften weerde: ‘Die preoccupaties met de eigen ervaringen, sensaties – ‘today’s cult of the excitements of self’ of ‘the narcissistic purposes, and pointedly indiscreet contents, of most autobiographical writing today’ – is voor haar overigens het tekort bij uitstek van de hedendaagse literatuur: ‘Most people seem to think now that writing is just a form of self-regard. Also called: self-expression’ (…) Schrijven moet voor haar daarentegen als lezen zijn; beide moeten een gevoel van zelfverlies opwekken.’ ( Nieuwzuid, 28, p.69, zie aldaar voor de bibiografische referenties naar Sontags teksten).
Vervolgens een schimpscheut van Shopenhauer naar op biografie beluste lezers in een boekje met herkenbaar behoudsgezind en bijwijlen hilarisch gebrom over slechte boeken, abominabele schrijfstijlen, inaccurate schrijverijen, taalbederf, enz. – volgens het achterplat ‘alsof het gisteren werd geschreven’: ‘Het publiek interesseert zich veel meer voor de stof dan voor de vorm, en blijft daardoor achter in zijn ontwikkeling. In de belachelijkste vorm is dit te zien bij dichtwerken, namelijk wanneer het probeert na te gaan wat de precieze reële gebeurtenissen, of de persoonlijke omstandigheden van de dichter zijn geweest die hem bewogen hebben tot het schrijven van die werken – ja, die worden uiteindelijk interessanter gevonden dan de werken zelf, en daarom lees me meer over Goethe, en men bestudeert de Faust-dage met meer toewijding dan Faust zelf.’ (In de tuin der letteren. Over de kunst van het schrijven, Arthur Schopenhauer, Wereldbibliotheek, 2008, p. 18).
En ten slotte kwam ik het gegeven tegen in een nogal uitgepuurde vorm (of als u dat liever leest, vergezochte vorm) in een geschrift van Simone Weil: ‘Dat wat heilig is, is niet de persoon. Verre van dat: het is datgene wat in een menselijk wezen onpersoonlijk is. Alles wat onpersoonlijk in de mens is, is heilig, en dat alleen.’ (…) ‘Het zijn bijvoorbeeld juist die kunstenaars en schrijvers, welke het meest geneigd zijn hun kunst als ontplooiing van hun persoon te beschouwen, die in feite het meest onderworpen zijn aan de smaak van het publiek.’ (De geschonden ziel. Over de menselijke waardigheid, Simone Weil, Ten Have/Baarn, 1990, p. 40, p. 43)
(Bij alle citaten in deze posting: zoals u weet geven citaten slechts een oppervlakkige proeve van een tekst)
07 april 2008
? Gelinkt: dichtwerk en biografie
02 april 2008
De negatieve weg
Om het lezen en schrijven van poëzie te karakteriseren, kunnen allerlei adjectieven van pas komen. Als u zelf graag poëzie leest of schrijft, heeft u er vast al een aantal klaar. In plaats van te vertrekken van één of vele positieve karakteriseringen, kan echter ook de negatieve weg bewandeld worden. Met negatief bedoel ik niet: negatieve kritiek leverend, maar wel: het omgekeerde van een welomlijnd begrip.
De negatieve weg is een begrip uit de wijsbegeerte en de godgeleerdheid dat ook in de poëzie zijn nut bewijst. De negatieve weg beschrijft immers in zekere zin ook een weg rond, met en naar de taal. Ik kwam het begrip weer eens tegen in een boek over de taalminnende mysticus Eckhart dat ik u graag wil aanraden (1). In een hoofdstuk over Eckhart en het denkspoor van de negative theologie, dat zoals alle hoofdstukken in dit boek begint met poëzie (bij dit hoofdstuk staat: ‘L’intensité est silencieuse. Son image ne l’est pas’, René Char) doet de schrijver Marcel Braekers het begrip negatieve theologie uit de doeken. Om kort te gaan: God herleiden tot rationele begrippen, of tot woorden uit het alledaagse zelfs al behoren die tot de superlatieve trap, of tot abstracte voorstellingen, doen afbreuk aan God. Met rationele begrippen of voorstellingen wordt God gereduceerd en beheerst. Zoals Braekers het verwoordt, op een Eckhartiaanse wijze: “Er moet dus iets totaal nieuws tot stand komen: wij moeten zo durven te spreken en te denken dat door onze woorden een spirituele ruimte ontstaat waarbinnen de Godheid kan verschijnen, niet vanuit ons grijpen – dus niet zoals ik het had gedacht of gehoopt - maar vanuit zichzelf.”
Voor u een mystiek punthoofd krijgt, en schrijver dezes een hoge graad van wereldvreemdheid toedicht: deze begrippen zijn geheel toepasbaar op de poëzie. Overigens is theologie het veld bij uitstek van de verbeelding: er zijn weinig werken zo verbeeldingrijk en verfijnd poëtisch hermetisch als bijvoorbeeld dat van Augustinus over de Drie-eenheid (2), of ook nog een werkelijk betoverend tractaat (3) over de H.Geest dat ik onlangs in een wel zeer paapse winkel in Rome kocht. Over dit oneigenlijk gebruik van de theologie zou ik nog een paar kantjes kunnen uitweiden, maar er wacht ons nu een andere taak: de toepassing van de negatieve theologie op de poëzie. Toegepaste negatieve theologie, het zou een vakoverschrijdende academische discipline kunnen worden, even nuttig als poëzie voor de wereld.
Laten we van wal steken en beginnen met dat wat we van plan waren: een adjectief kiezen om iets over de poëzie te zeggen. Welnu dan, ziehier mijn keuze: poëzie is geestverheffend. Dit adjectief staat in deze context voor een positieve, welbepaalde benadering van poëzie. Willen we de negatieve weg volgen, dan dienen we af te stappen van definiërende benaderingen. Laten we daarom proberen hetzelfde gegeven vanuit een andere hoek te bekijken, met name zonder iets te willen definiëren. Hier is een poging: poëzie is niet geestdodend. Dat dit zo zou zijn, lijkt op het eerste gezicht nogal evident maar dat komt dan vooral als we het woord ‘geestdodend’ in zijn dagelijks gebruikte context lezen als een omschrijving van een afstompende, eentonige, routineuze activiteit. Indien we nu de nauwe, positieve, d.w.z. zo goed als vastliggende betekenis van het woord ‘geestdodend’ lossen, reikt dit begrip uitwaaierend naar zijn tegengestelden zoals ‘geestverruimend’, het al genoemde ‘geestverheffend’, ‘geestvervoerend’, enz. en creëert het een spanningsveld. Door de aanwezigheid van het woord ‘geest’, en de nabijheid van de negatie wordt in de verbredende, negatieve weg de deur associatief denkend ook open gezet naar ‘lichaam’, en naar alle mogelijke bruggen tussen geest en lichaam. Zelfs ouderwetse woorden als ziel, blijken zich nu opeens binnen het veld van geassocieerde betekenissen te bevinden. En zo wordt het voordeel van de negatieve weg duidelijk. Het gecreëerde spanningsveld van betekenissen, dat in zijn breedte al de tegengestelden van ‘geestdodend’ bevat, en ook alle ermee geassocieerde betekenissen, is veelbetekenender dan één of meer van de tegengestelden of de ermee geassocieerde woorden zelf. Met andere woorden: we zijn rijker geworden in ons aanvoelen van de poëzie dan toen we begonnen met de ene karakterisering ‘geestesverheffend’.
Nu zou u vervolgens het lef moeten hebben om ook dit uitgebreide betekenisveld achter u te laten, en geheel nieuwe manieren van denken, spreken, lezen, schrijven, te verkennen. Na de via negativa komt immers de zogenaamde via eminentia, het nieuwe na de achterlating van datgene wat in de weg stond. Braekers citeert in dit verband Cornelis Verhoeven uit diens werk Rondom de leegte: ‘Wij kunnen ons God niet anders meer voorstellen dan als godsprobleem, als lege ruimte, waaruit de godsvoorstelling is weggevallen. God is nergens meer: hij is niet daarboven, niet daarbuiten, niet daarbinnen. Wat wij blijken te projecteren en te introjecteren is hij niet. Hij is een lege plek op de plaats, waar een historische idee hem lokaliseerde.’ Eerlijk gezegd komt deze uitspraak en deze benadering van God prima overeen met een atheïstische visie die oppert dat God niet bestaat. Dat is nu ook precies wat me zo aantrekt in deze benadering: alle mogelijke bedenkingen in verband met geloof, als zou God een product zijn van de verbeelding, een hol, dood en gefossiliseerd woord in de taal, een psychologische nood aan vader-of moederfiguur en wat nog al niet, worden in deze visie meteen in rekening gebracht. Gelovigen zitten mis met hun gebeden en geprevel, hun noemen en aanroepen. Ongelovigen met hun eigen stelligheid hebben het ook niet bij het rechte eind want hun ‘niets’ zou wel eens een ‘Niets’ kunnen zijn. Maar nu verder denkend: met deze negatieve weg om God te – benaderen is het woord niet, want benaderen benadrukt een wens om vat te verkrijgen op datgene wat benaderd wordt – ontvangen zitten we met zijn allen - gelovigen en ongelovigen - in het grote niets, het Niets, het ketterse Niemand. Ketters, want in de monotheïstische godsdiensten wordt God als een Iemand voorgesteld. Eigen aan vele mystici, is hun geheel onkerkelijke manier om over God te denken, spreken, schrijven. Welnu, de negatieve theologie mag dan al een ‘bekende’ weg zijn in de geaccepteerde theologie, wie Eckhart zelf leest (4), merkt algauw dat platgetreden, geïnstitutionaliseerde paden niet de zijne zijn.
Maar nu weer naar de poëzie. Hoe vergezocht de transpositie van het concept van de negatieve weg naar de poëzie voor sommigen ook moge lijken, het is wel degelijk een vruchtbare manier om met poëzie om te gaan, al lezend en al schrijvend. Om de vruchten te plukken, keren we nu eerst terug naar het woord ‘geestdodend’ en het spanningsveld rond ‘niet geestdodend’. Vervolgens kijken we samen in het wit van de lege ruimte die volgt: hopelijk is het een ruimte die het u mogelijk maakt om poëzie op een enigszins nieuwe manier te lezen of te schrijven.
De eigenschap dat poëzie niet geestdodend is, heeft twee richtingen: een naar de dichter en een naar de lezer toe. Ik zou het hier graag willen hebben over de eerste richting, die naar de dichter toe. Als het goed is, gaat er van de poëzie-in-wording naar de dichter tijdens het schrijven een kracht uit die zich in bovenvermeld spanningsveld aftekent. Een niet-geestdodende kracht. Op zijn smalst bekeken, betekent dit dat dichten geen routineuze karwei is. Al wat breder beschouwd, dat dichten de geest verder voert dan de oppervlakte van de dingen en het denken. Op volle kruissnelheid gekomen, hangt een en ander ervan af hoe breed de menselijke geest ervaren wordt. En die schoonheid – zo het al schoonheid is - bevindt zich in het oog van de beschouwer. Waar voor de een de menselijke geest een wonderlijk product is van wisselwerkingen in het brein, is voor de ander elke menselijke geest een uniek individueel enigma dat zich vooral in de ontmoeting met de andere / de Andere laat kennen. De menselijke geest valt dan samen met dat wat meestal door het woord ‘persoon’ aangegeven wordt.
Vaak wordt in verband met poëzie en de persoon van de dichter de omgekeerde weg bewandeld, dus niet van het schrijven naar de dichter, maar wel van de dichter naar het werk zelf. Er wordt dan in een werk op elementen gewezen die verband houden met de persoon van de dichter. Nochtans is het zo dat vanuit het spanningsveld dat we hier onderzoeken, het duidelijk moge zijn dat het schrijven van poëzie wel degelijk ook zelf een kracht uitoefent op de dichter. Een kracht die naarmate de dichter zijn geest richting volle zeebreedte stuurt, in omvang kan toenemen. Daar waar deze kracht de volle persoon treft, gaat het om ontmoetingen. Ontmoetingen met het eigen ‘ik’, zeker, maar vooral met een ‘jij’. Deze ervaringen stemmen tot nederigheid. Een ‘jij’ kan immers niet ontmoet worden als er teveel ‘ik’ in de weg staat. Een ‘ik’ dat zichzelf in de weg staat, spreekt voortdurend over zichzelf, en meldt aan de ander ‘zo ben ik’. In zijn boek ‘Ik en Jij’ noemt de Joodse filosoof Martin Buber (1878-1965) mensen die vanuit deze ik-gerichtheid spreken, ‘eigenwezens’ in plaats van personen: ‘De persoon zegt: “Ik ben”, het eigenwezen zegt: ‘Zo ben ik’. ‘Ken jezelf’ betekent voor de persoon: ken jezelf als zijn, voor het eigenwezen: ken je zo-zijn. Doordat het eigenwezen zich tegen andere afzet, verwijdert het zich van het zijn.’ (5)
Buber typeert het eigenwezen als een mens die erop uit is de werkelijkheid (wat hij de ‘het-wereld’ noemt) te ervaren en te gebruiken. Hebben in de plaats van zijn. Een ‘persoon’ verhoudt zich echter niet op een dergelijk utilitaire manier tot de wereld. Dat een persoon zich in de verhouding tot de wereld en tot de anderen eerder opstelt als een ‘ik ben’ dan wel als een ‘ik ben zo’, betekent niet dat een persoon een eigen manier van zijn ontzegd wordt . Buber: ‘Daarmee wil niet gezegd zijn dat de persoon zijn bijzondere wijze van zijn, zijn anders-zijn enigszins zou moeten ‘opgeven’. Maar het anders-zijn is voor de persoon geen punt van aandacht, het bestaat slechts, het is slechts het noodzakelijk en zinvolle begrijpen van het zijn. Het eigenwezen daarentegen zwelgt in zijn bijzonder-zijn, of beter gezegd: in de fictie van zijn bijzonder-zijn, die het zich uitgedacht heeft. Want zichzelf kennen betekent voor hem eigenlijk boven alles: een zelfverschijning tot stand brengen, die zich krachtig laat gelden, en in staat is het zelf steeds grondiger te misleiden; zichzelf in de beschouwing en de verering daarvan de schijn van kennis van het eigen zo-zijn verschaffen; de waarachtige zelfkennis van het eigenwezen zou tot zelfvernietiging leiden – ofwel tot wedergeboorte. De persoon ziet zijn zelf, het eigenwezen houdt zich bezig met zijn ‘mijn’: mijn aard, mijn ras, mijn maken, mijn genie. Het eigenwezen neemt aan geen werkelijkheid deel en verwerft er ook geen. Het zet zich tegen het andere af en probeert zoveel mogelijk ervan in bezit te nemen door ervaren en gebruiken. Dat is zijn dynamiek: het zich afzetten en het in bezit nemen, beide uitgevoerd in het Het, in het onwerkelijke.’ (5)
Als de poëzie haar geestverheffende kracht kan uitoefenen, lijkt het me dat ze de dichter (en de lezer?) kan sturen in de richting van een ‘persoon’ in dialoog met de anderen, dan wel in de richting van een ‘eigenwezen’ voornamelijk in dialoog met zichzelf. Indien een dichter vooral in dialoog met zichzelf gaat, wordt de kracht die uitgaat van de poëzie op de dichter naar het doodlopende straatje van het eigen ego afgevoerd. Poëzie is zo niet meer dan een lozing van de eigen afvalproducten.
Poëzie hoort echter niet in doodlopende straatjes en is niet geestdodend: zij vraagt om vele wegen en om ontmoetingen met een ‘jij’. Als we nu terugkeren naar de negatieve weg en mystieke geschriften van Eckhart, dan wordt door het loskomen van de eigen besognes een ruimte gecreëerd waarin een ontmoeting plaats kan vinden. Niet op onze eigen voorwaarden, maar als een mogelijkheid in een nieuw gecreëerde ruimte. Misschien kunnen zowel de mystiek als de poëzie zich op zo’n bescheiden manier toch nog in de wereld laten gevoelen.
(1) Marcel Braekers. Meister Echart. Mysticus van het niet-wetende weten. Averbode, 2007.
(2) Augustinus van Hippo. Over de Drie-eenheid. Ingeleid en vertaald door T.J. van Bavel. Peeters, Leuven, 2005.
(3) Raniero Cantalamessa. Come, Creator Spriti. Meditations on the Veni Creator. The Liturgical Press, Minnesota, 2003.
(4) Meister Eckhart. Over God wil ik zwijgen. De tractaten. Vertaald door C.O. Jellema. Historische Uitgeverij, Groningen, 1999.
Meister Eckhart. Over God wil ik zwijgen. Preken. Vertaald door C.O. Jellema. Historische Uitgeverij, Groningen, 2001.
(5) Martin Buber, Ik en Jij, vertaald door Marianne Storm, Bijleveld, 1998. p. 76, 77
Deze tekst komt in het volgende nummer van Dighter.
De negatieve weg is een begrip uit de wijsbegeerte en de godgeleerdheid dat ook in de poëzie zijn nut bewijst. De negatieve weg beschrijft immers in zekere zin ook een weg rond, met en naar de taal. Ik kwam het begrip weer eens tegen in een boek over de taalminnende mysticus Eckhart dat ik u graag wil aanraden (1). In een hoofdstuk over Eckhart en het denkspoor van de negative theologie, dat zoals alle hoofdstukken in dit boek begint met poëzie (bij dit hoofdstuk staat: ‘L’intensité est silencieuse. Son image ne l’est pas’, René Char) doet de schrijver Marcel Braekers het begrip negatieve theologie uit de doeken. Om kort te gaan: God herleiden tot rationele begrippen, of tot woorden uit het alledaagse zelfs al behoren die tot de superlatieve trap, of tot abstracte voorstellingen, doen afbreuk aan God. Met rationele begrippen of voorstellingen wordt God gereduceerd en beheerst. Zoals Braekers het verwoordt, op een Eckhartiaanse wijze: “Er moet dus iets totaal nieuws tot stand komen: wij moeten zo durven te spreken en te denken dat door onze woorden een spirituele ruimte ontstaat waarbinnen de Godheid kan verschijnen, niet vanuit ons grijpen – dus niet zoals ik het had gedacht of gehoopt - maar vanuit zichzelf.”
Voor u een mystiek punthoofd krijgt, en schrijver dezes een hoge graad van wereldvreemdheid toedicht: deze begrippen zijn geheel toepasbaar op de poëzie. Overigens is theologie het veld bij uitstek van de verbeelding: er zijn weinig werken zo verbeeldingrijk en verfijnd poëtisch hermetisch als bijvoorbeeld dat van Augustinus over de Drie-eenheid (2), of ook nog een werkelijk betoverend tractaat (3) over de H.Geest dat ik onlangs in een wel zeer paapse winkel in Rome kocht. Over dit oneigenlijk gebruik van de theologie zou ik nog een paar kantjes kunnen uitweiden, maar er wacht ons nu een andere taak: de toepassing van de negatieve theologie op de poëzie. Toegepaste negatieve theologie, het zou een vakoverschrijdende academische discipline kunnen worden, even nuttig als poëzie voor de wereld.
Laten we van wal steken en beginnen met dat wat we van plan waren: een adjectief kiezen om iets over de poëzie te zeggen. Welnu dan, ziehier mijn keuze: poëzie is geestverheffend. Dit adjectief staat in deze context voor een positieve, welbepaalde benadering van poëzie. Willen we de negatieve weg volgen, dan dienen we af te stappen van definiërende benaderingen. Laten we daarom proberen hetzelfde gegeven vanuit een andere hoek te bekijken, met name zonder iets te willen definiëren. Hier is een poging: poëzie is niet geestdodend. Dat dit zo zou zijn, lijkt op het eerste gezicht nogal evident maar dat komt dan vooral als we het woord ‘geestdodend’ in zijn dagelijks gebruikte context lezen als een omschrijving van een afstompende, eentonige, routineuze activiteit. Indien we nu de nauwe, positieve, d.w.z. zo goed als vastliggende betekenis van het woord ‘geestdodend’ lossen, reikt dit begrip uitwaaierend naar zijn tegengestelden zoals ‘geestverruimend’, het al genoemde ‘geestverheffend’, ‘geestvervoerend’, enz. en creëert het een spanningsveld. Door de aanwezigheid van het woord ‘geest’, en de nabijheid van de negatie wordt in de verbredende, negatieve weg de deur associatief denkend ook open gezet naar ‘lichaam’, en naar alle mogelijke bruggen tussen geest en lichaam. Zelfs ouderwetse woorden als ziel, blijken zich nu opeens binnen het veld van geassocieerde betekenissen te bevinden. En zo wordt het voordeel van de negatieve weg duidelijk. Het gecreëerde spanningsveld van betekenissen, dat in zijn breedte al de tegengestelden van ‘geestdodend’ bevat, en ook alle ermee geassocieerde betekenissen, is veelbetekenender dan één of meer van de tegengestelden of de ermee geassocieerde woorden zelf. Met andere woorden: we zijn rijker geworden in ons aanvoelen van de poëzie dan toen we begonnen met de ene karakterisering ‘geestesverheffend’.
Nu zou u vervolgens het lef moeten hebben om ook dit uitgebreide betekenisveld achter u te laten, en geheel nieuwe manieren van denken, spreken, lezen, schrijven, te verkennen. Na de via negativa komt immers de zogenaamde via eminentia, het nieuwe na de achterlating van datgene wat in de weg stond. Braekers citeert in dit verband Cornelis Verhoeven uit diens werk Rondom de leegte: ‘Wij kunnen ons God niet anders meer voorstellen dan als godsprobleem, als lege ruimte, waaruit de godsvoorstelling is weggevallen. God is nergens meer: hij is niet daarboven, niet daarbuiten, niet daarbinnen. Wat wij blijken te projecteren en te introjecteren is hij niet. Hij is een lege plek op de plaats, waar een historische idee hem lokaliseerde.’ Eerlijk gezegd komt deze uitspraak en deze benadering van God prima overeen met een atheïstische visie die oppert dat God niet bestaat. Dat is nu ook precies wat me zo aantrekt in deze benadering: alle mogelijke bedenkingen in verband met geloof, als zou God een product zijn van de verbeelding, een hol, dood en gefossiliseerd woord in de taal, een psychologische nood aan vader-of moederfiguur en wat nog al niet, worden in deze visie meteen in rekening gebracht. Gelovigen zitten mis met hun gebeden en geprevel, hun noemen en aanroepen. Ongelovigen met hun eigen stelligheid hebben het ook niet bij het rechte eind want hun ‘niets’ zou wel eens een ‘Niets’ kunnen zijn. Maar nu verder denkend: met deze negatieve weg om God te – benaderen is het woord niet, want benaderen benadrukt een wens om vat te verkrijgen op datgene wat benaderd wordt – ontvangen zitten we met zijn allen - gelovigen en ongelovigen - in het grote niets, het Niets, het ketterse Niemand. Ketters, want in de monotheïstische godsdiensten wordt God als een Iemand voorgesteld. Eigen aan vele mystici, is hun geheel onkerkelijke manier om over God te denken, spreken, schrijven. Welnu, de negatieve theologie mag dan al een ‘bekende’ weg zijn in de geaccepteerde theologie, wie Eckhart zelf leest (4), merkt algauw dat platgetreden, geïnstitutionaliseerde paden niet de zijne zijn.
Maar nu weer naar de poëzie. Hoe vergezocht de transpositie van het concept van de negatieve weg naar de poëzie voor sommigen ook moge lijken, het is wel degelijk een vruchtbare manier om met poëzie om te gaan, al lezend en al schrijvend. Om de vruchten te plukken, keren we nu eerst terug naar het woord ‘geestdodend’ en het spanningsveld rond ‘niet geestdodend’. Vervolgens kijken we samen in het wit van de lege ruimte die volgt: hopelijk is het een ruimte die het u mogelijk maakt om poëzie op een enigszins nieuwe manier te lezen of te schrijven.
De eigenschap dat poëzie niet geestdodend is, heeft twee richtingen: een naar de dichter en een naar de lezer toe. Ik zou het hier graag willen hebben over de eerste richting, die naar de dichter toe. Als het goed is, gaat er van de poëzie-in-wording naar de dichter tijdens het schrijven een kracht uit die zich in bovenvermeld spanningsveld aftekent. Een niet-geestdodende kracht. Op zijn smalst bekeken, betekent dit dat dichten geen routineuze karwei is. Al wat breder beschouwd, dat dichten de geest verder voert dan de oppervlakte van de dingen en het denken. Op volle kruissnelheid gekomen, hangt een en ander ervan af hoe breed de menselijke geest ervaren wordt. En die schoonheid – zo het al schoonheid is - bevindt zich in het oog van de beschouwer. Waar voor de een de menselijke geest een wonderlijk product is van wisselwerkingen in het brein, is voor de ander elke menselijke geest een uniek individueel enigma dat zich vooral in de ontmoeting met de andere / de Andere laat kennen. De menselijke geest valt dan samen met dat wat meestal door het woord ‘persoon’ aangegeven wordt.
Vaak wordt in verband met poëzie en de persoon van de dichter de omgekeerde weg bewandeld, dus niet van het schrijven naar de dichter, maar wel van de dichter naar het werk zelf. Er wordt dan in een werk op elementen gewezen die verband houden met de persoon van de dichter. Nochtans is het zo dat vanuit het spanningsveld dat we hier onderzoeken, het duidelijk moge zijn dat het schrijven van poëzie wel degelijk ook zelf een kracht uitoefent op de dichter. Een kracht die naarmate de dichter zijn geest richting volle zeebreedte stuurt, in omvang kan toenemen. Daar waar deze kracht de volle persoon treft, gaat het om ontmoetingen. Ontmoetingen met het eigen ‘ik’, zeker, maar vooral met een ‘jij’. Deze ervaringen stemmen tot nederigheid. Een ‘jij’ kan immers niet ontmoet worden als er teveel ‘ik’ in de weg staat. Een ‘ik’ dat zichzelf in de weg staat, spreekt voortdurend over zichzelf, en meldt aan de ander ‘zo ben ik’. In zijn boek ‘Ik en Jij’ noemt de Joodse filosoof Martin Buber (1878-1965) mensen die vanuit deze ik-gerichtheid spreken, ‘eigenwezens’ in plaats van personen: ‘De persoon zegt: “Ik ben”, het eigenwezen zegt: ‘Zo ben ik’. ‘Ken jezelf’ betekent voor de persoon: ken jezelf als zijn, voor het eigenwezen: ken je zo-zijn. Doordat het eigenwezen zich tegen andere afzet, verwijdert het zich van het zijn.’ (5)
Buber typeert het eigenwezen als een mens die erop uit is de werkelijkheid (wat hij de ‘het-wereld’ noemt) te ervaren en te gebruiken. Hebben in de plaats van zijn. Een ‘persoon’ verhoudt zich echter niet op een dergelijk utilitaire manier tot de wereld. Dat een persoon zich in de verhouding tot de wereld en tot de anderen eerder opstelt als een ‘ik ben’ dan wel als een ‘ik ben zo’, betekent niet dat een persoon een eigen manier van zijn ontzegd wordt . Buber: ‘Daarmee wil niet gezegd zijn dat de persoon zijn bijzondere wijze van zijn, zijn anders-zijn enigszins zou moeten ‘opgeven’. Maar het anders-zijn is voor de persoon geen punt van aandacht, het bestaat slechts, het is slechts het noodzakelijk en zinvolle begrijpen van het zijn. Het eigenwezen daarentegen zwelgt in zijn bijzonder-zijn, of beter gezegd: in de fictie van zijn bijzonder-zijn, die het zich uitgedacht heeft. Want zichzelf kennen betekent voor hem eigenlijk boven alles: een zelfverschijning tot stand brengen, die zich krachtig laat gelden, en in staat is het zelf steeds grondiger te misleiden; zichzelf in de beschouwing en de verering daarvan de schijn van kennis van het eigen zo-zijn verschaffen; de waarachtige zelfkennis van het eigenwezen zou tot zelfvernietiging leiden – ofwel tot wedergeboorte. De persoon ziet zijn zelf, het eigenwezen houdt zich bezig met zijn ‘mijn’: mijn aard, mijn ras, mijn maken, mijn genie. Het eigenwezen neemt aan geen werkelijkheid deel en verwerft er ook geen. Het zet zich tegen het andere af en probeert zoveel mogelijk ervan in bezit te nemen door ervaren en gebruiken. Dat is zijn dynamiek: het zich afzetten en het in bezit nemen, beide uitgevoerd in het Het, in het onwerkelijke.’ (5)
Als de poëzie haar geestverheffende kracht kan uitoefenen, lijkt het me dat ze de dichter (en de lezer?) kan sturen in de richting van een ‘persoon’ in dialoog met de anderen, dan wel in de richting van een ‘eigenwezen’ voornamelijk in dialoog met zichzelf. Indien een dichter vooral in dialoog met zichzelf gaat, wordt de kracht die uitgaat van de poëzie op de dichter naar het doodlopende straatje van het eigen ego afgevoerd. Poëzie is zo niet meer dan een lozing van de eigen afvalproducten.
Poëzie hoort echter niet in doodlopende straatjes en is niet geestdodend: zij vraagt om vele wegen en om ontmoetingen met een ‘jij’. Als we nu terugkeren naar de negatieve weg en mystieke geschriften van Eckhart, dan wordt door het loskomen van de eigen besognes een ruimte gecreëerd waarin een ontmoeting plaats kan vinden. Niet op onze eigen voorwaarden, maar als een mogelijkheid in een nieuw gecreëerde ruimte. Misschien kunnen zowel de mystiek als de poëzie zich op zo’n bescheiden manier toch nog in de wereld laten gevoelen.
(1) Marcel Braekers. Meister Echart. Mysticus van het niet-wetende weten. Averbode, 2007.
(2) Augustinus van Hippo. Over de Drie-eenheid. Ingeleid en vertaald door T.J. van Bavel. Peeters, Leuven, 2005.
(3) Raniero Cantalamessa. Come, Creator Spriti. Meditations on the Veni Creator. The Liturgical Press, Minnesota, 2003.
(4) Meister Eckhart. Over God wil ik zwijgen. De tractaten. Vertaald door C.O. Jellema. Historische Uitgeverij, Groningen, 1999.
Meister Eckhart. Over God wil ik zwijgen. Preken. Vertaald door C.O. Jellema. Historische Uitgeverij, Groningen, 2001.
(5) Martin Buber, Ik en Jij, vertaald door Marianne Storm, Bijleveld, 1998. p. 76, 77
Deze tekst komt in het volgende nummer van Dighter.
17 maart 2008
Irak
and it soon became apparent that as to weapons of mass destruction there were
none.
het laatste woord is verdomd een hoerenjong
het zat eerst zwart geregeld in een enfilade
van trance en trac
tot het hoetel foeterend
de uitgang miste en merde
wit te kijk kwam
kappen
en naar de letterzetterhel
none.
het laatste woord is verdomd een hoerenjong
het zat eerst zwart geregeld in een enfilade
van trance en trac
tot het hoetel foeterend
de uitgang miste en merde
wit te kijk kwam
kappen
en naar de letterzetterhel
08 januari 2008
Oz, de tovenaar
Dat komt er nu van als je in een blogposting toetert dat een boek niet boeit. De volgende avond probeer je een ander boek van dezelfde auteur en moet je vaststellen dat je je meteen gewonnen weet. Alles wat deksels verleidelijk en aantrekkelijk is, strooit Amos Oz uit op de eerste 10 pagina's van zijn Een verhaal van liefde en duisternis. Een jongetje in een povere omgeving met briljant geletterde ouders in een klein huis vol boeken. Voor namen van geleerden draait de auteur zijn hand niet om. Martin Buber is al meteen daar. En sprak ik gisteren nog met heimwee over Dostojevski? In de eerste 10 bladzijden ziet het jongetje Tolstojanen en Dostojevskianen in zijn wijk, en eigenlijk vindt hij iedereen in Tsjechov thuishoren. Wat miste ik gisteren de poëzie in Oz, en hoe kan het toch, maar de tovenaar heeft het in zijn eerste 10 bladzijden van dit boek al een aantal keren over de poëzie. Het boek ademt al 10 bladzijden Joodse en Russische literatuur. Misschien kan het herlezen van De broers Karamazov nog even wachten. En wat bromde ik gisteren over een overdaad aan letters? Woorden, ze zijn als de borst van de geliefde man, zo heerlijk. Woorden zijn muzisch, en daar komen gedichten van. Dus niet alleen als gevolg van wonden, zoals ik dat gisteren in de blogverf zette. Gelukkig is poëzie geen eenduidig ding, en kan het alle dagen van een andere kant bekeken.
07 januari 2008
Pleisters en verbanden
Een aantal dagen geleden nog eens geprobeerd een roman te lezen, of alleszins iets van die strekking. Joodse schrijvers hebben altijd een aantrekkingskracht uitgeoefend, en ook nu ik geen romans meer lees, merk ik dat Joodse filosofen een magnetisch trekje voor hebben. Hun fascinatie met het boek zal daaraan niet vreemd zijn. Toen ik Verzen van het leven en de dood van Amos Oz in de boekhandel zag, leek me de titel geheel te passen in de eerbied voor boek en wijsheid die zo eigen is aan de Joodse traditie. Een titel om van te watertanden en als er op de achterflap staat dat Oz een schrijver van duizelingwekkende genialiteit is - nja een zekere commerciële subtiliteit is nooit veraf - en de binnenflap o.a. een beschouwing van het schrijverschap belooft, welaan dan.
Dat de man erg goed kan schrijven, is meteen duidelijk, maar tot mijn teleurstelling begin ik me na een blad of 10 al af te vragen of ik het boek wel zal uitlezen. Er waait een herkenbare schrijverszelfironie in de stukjes over het schrijverschap, en de zure geur van ego is ook nooit weg. De rest van het verhaal doet zich luchtig voor als pure verbeelding, fijnzinnig en scherp geschreven, maar bekoren kan het me niet. Waarom dan toch niet? Ik ben geërgerd over mijn gebrek aan leeslust, en na een 40-tal bladzijden doe ik het mooie boekje dicht. ‘Wat heeft poëzie dat proza niet heeft’, leg ik in de mond van de intelligente man op de achterflap. Hij kruist zijn armen en kijkt me lichtironisch aan als kende hij alle antwoorden al. Ik herinner me een scène uit een film van een eeuwigheid geleden waarin de keizer-tijdgenoot van Mozart op de vraag wat er aan Mozarts werken scheelt, misnoegd grommelend en oliedom ‘too many notes’ antwoordt.
Teveel letters, nee dat kan het antwoord niet zijn. Nochtans is het gebalde van poëzie inderdaad een van de aantrekkingspolen ervan. Vroeger, toen ik nog romans las, stootte een neveneffect van dat gebalde in de poëzie me af: de neiging naar het onverklaarbare, het minder makkelijk leesbare vond ik te vaak een vorm van aanstellerij om poëzie onbevooroordeeld te kunnen lezen. Tot ik o.a. Eliot en Plath ontdekte en hun taal als bedekte of onbedekte wonden herkende. Wonden van het zelf, maar vooral wonden van de wereld. De taal in het oog van de strijd: in de dubbele rol van wapen en kwetsbaar te behoeden gegeven. Het heeft nog ettelijke romans en verslapen tijd geduurd voor ik zelf begon te dichten. Het willen uitbenen, het geconcentreerde zoeken, een heftigheid die ik nu ook als lezer met me mee sleep, belet me nu het genot van de roman. Misschien moet ik opnieuw Dostojevski lezen. Een gebrek aan heftigheid en intensiteit kun je hem niet verwijten.
In een vlaag van enthousiasme nam ik in de boekhandel ook Een verhaal van liefde en duisternis mee van Oz. ‘Grootse literatuur. Een magistraal boek’ staat er op de achterflap en bij her en der grasduinen in dit ongelezen boek vermoed ik intuïtief nog meer dat het om het werk van een groot schrijver gaat. De teleurstelling om mijn ongeduld en lezersheftigheid kan ik eigenlijk alleen overwinnen door dit boek te lezen; een strijd met het luttele zelf. Het boek is zelfs geen echte roman, maar een romanachtige autobiografie. Ik geef het dus nog niet op: het kan niet dat ik al die jaren naast de kwestie gelezen heb, wijs ik mezelf zuur terecht. Het kan niet dat poëzie het ultieme genre is. Vanuit mijn ervaring en opleiding weet ik immers: literatuur is meer dan poëzie. En dan is er nog de hele kwestie van wat een genre nu precies behelst: er zijn bijvoorbeeld ook tussengenres, zoals het prozagedicht. Maar als ik dan toch een eigen mening geef (stop uw veelzijdige oren snel nog dicht voor het getoeter begint): poëzie is het ultieme genre. Poëzie is literatuur puur. Poëzie is meer dan literatuur. Het is dood en leven, liefde en duisternis, alles tegelijk, samengeweven tot een fragiele pleister op een wonde. Van wie of wat de wonde is, van het zelf, van de wereld of van de taal, dat is het zoeken in de poëzie. En de pleister voldoet nooit. Zoniet hadden we met Eliot en Plath en zovele anderen de ultieme pleister al gevonden. De wonde gaat echter altijd weer open. De wonde is er op elke plaats en tijd opnieuw. En hoe zit het nu eigenlijk met proza lezen en schrijven: is het een omslachtig verband rond dezelfe wonde?
Dat de man erg goed kan schrijven, is meteen duidelijk, maar tot mijn teleurstelling begin ik me na een blad of 10 al af te vragen of ik het boek wel zal uitlezen. Er waait een herkenbare schrijverszelfironie in de stukjes over het schrijverschap, en de zure geur van ego is ook nooit weg. De rest van het verhaal doet zich luchtig voor als pure verbeelding, fijnzinnig en scherp geschreven, maar bekoren kan het me niet. Waarom dan toch niet? Ik ben geërgerd over mijn gebrek aan leeslust, en na een 40-tal bladzijden doe ik het mooie boekje dicht. ‘Wat heeft poëzie dat proza niet heeft’, leg ik in de mond van de intelligente man op de achterflap. Hij kruist zijn armen en kijkt me lichtironisch aan als kende hij alle antwoorden al. Ik herinner me een scène uit een film van een eeuwigheid geleden waarin de keizer-tijdgenoot van Mozart op de vraag wat er aan Mozarts werken scheelt, misnoegd grommelend en oliedom ‘too many notes’ antwoordt.
Teveel letters, nee dat kan het antwoord niet zijn. Nochtans is het gebalde van poëzie inderdaad een van de aantrekkingspolen ervan. Vroeger, toen ik nog romans las, stootte een neveneffect van dat gebalde in de poëzie me af: de neiging naar het onverklaarbare, het minder makkelijk leesbare vond ik te vaak een vorm van aanstellerij om poëzie onbevooroordeeld te kunnen lezen. Tot ik o.a. Eliot en Plath ontdekte en hun taal als bedekte of onbedekte wonden herkende. Wonden van het zelf, maar vooral wonden van de wereld. De taal in het oog van de strijd: in de dubbele rol van wapen en kwetsbaar te behoeden gegeven. Het heeft nog ettelijke romans en verslapen tijd geduurd voor ik zelf begon te dichten. Het willen uitbenen, het geconcentreerde zoeken, een heftigheid die ik nu ook als lezer met me mee sleep, belet me nu het genot van de roman. Misschien moet ik opnieuw Dostojevski lezen. Een gebrek aan heftigheid en intensiteit kun je hem niet verwijten.
In een vlaag van enthousiasme nam ik in de boekhandel ook Een verhaal van liefde en duisternis mee van Oz. ‘Grootse literatuur. Een magistraal boek’ staat er op de achterflap en bij her en der grasduinen in dit ongelezen boek vermoed ik intuïtief nog meer dat het om het werk van een groot schrijver gaat. De teleurstelling om mijn ongeduld en lezersheftigheid kan ik eigenlijk alleen overwinnen door dit boek te lezen; een strijd met het luttele zelf. Het boek is zelfs geen echte roman, maar een romanachtige autobiografie. Ik geef het dus nog niet op: het kan niet dat ik al die jaren naast de kwestie gelezen heb, wijs ik mezelf zuur terecht. Het kan niet dat poëzie het ultieme genre is. Vanuit mijn ervaring en opleiding weet ik immers: literatuur is meer dan poëzie. En dan is er nog de hele kwestie van wat een genre nu precies behelst: er zijn bijvoorbeeld ook tussengenres, zoals het prozagedicht. Maar als ik dan toch een eigen mening geef (stop uw veelzijdige oren snel nog dicht voor het getoeter begint): poëzie is het ultieme genre. Poëzie is literatuur puur. Poëzie is meer dan literatuur. Het is dood en leven, liefde en duisternis, alles tegelijk, samengeweven tot een fragiele pleister op een wonde. Van wie of wat de wonde is, van het zelf, van de wereld of van de taal, dat is het zoeken in de poëzie. En de pleister voldoet nooit. Zoniet hadden we met Eliot en Plath en zovele anderen de ultieme pleister al gevonden. De wonde gaat echter altijd weer open. De wonde is er op elke plaats en tijd opnieuw. En hoe zit het nu eigenlijk met proza lezen en schrijven: is het een omslachtig verband rond dezelfe wonde?
29 oktober 2007
Dichter kan het niet
Ware het niet een voorbeeld van het hoe en waarom van de verhouding tussen de poëzie en de wereld, ik viel u niet lastig met een particulier verhaal over een ‘voordracht’ van dichters op een festival. Zoiets als dichters aan huis, alleen was het huis geen huis, maar een tent. En alleen was de tent geen tent maar bleek die onverwacht ook nog eens een piepklein iglootje van doorschijnende plastic te zijn, met een mangat als ‘deur’. Er konden met een schoenlepel hooguit 4 mensen in, dichter incluis. De combinatie dichter-tent had te maken met het overkoepelende festivalconcept. Alle vragen en antwoorden omtrent tenten of omtrent de poëzie en behuizingen in het algemeen had ik bij die gelegenheid bij mezelf samengevat tot ‘het zij zo’. Verder was ik er gerust in: geen kat zou zich naar mijn ondeskundige mening naar de dichterlijke tentjesplek begeven, laat staan zich in zo’n piepje laten lokken, temeer omdat de start voor deze volkslokkerij pas rond 23u gepland was. Minder belangrijke vragen over het wel en wee van de smetteloze boetiekkledij van eerder op de dag gesignaleerde deftige provinciaalsteedse festivalgangers leken me bijgevolg al helemaal academisch.
Bij wijze van kamerbreed tapijt lag er een badhanddoek in elk dichterlijk optrekje en al lang voor het laatavondlijke aanvangsuur dienden zich de eerste gegadigden aan. Stipt om 23u had ik een gezelschap van drie welgeklede dames op leeftijd in mijn plastieken walvis. De vloerbekleding bleek zelfs een dame in het wit te kunnen behagen. Een moment van proefondervindelijke waarheid zat vervolgens aan tijd, plaats en lichaam vastgeklonken: er bevonden zich drie mensen in mijn wel zeer onmiddellijke omgeving en poëzie was wat ze wilden. Achter me kwaakten padden in de nabij gelegen vijver, verderop klonk festivalmuziek en er zat niets anders op dan op mijn badhanddoek van wal te steken. Het ruime sop in. Wat ze zich bij poëzie voorstelden, wat ze graag wilden horen, zo wendde ik me met op-de-rand-van-de-afgrond overlevingsinstinct tot mijn publiek. ‘Kolder’ antwoordde de dame in het wit me prompt. Tijd en ruimte om naar adem te happen was er niet. Er diende gehandeld. Dus las ik een gedicht met een speelse wending op zo kolderiek mogelijke wijze voor. De dame in het wit glunderde en knikte goedkeurend. Tot mijn opluchting had ze haar bonnetje voor kolder bevredigend in kunnen ruilen.
‘Iets romantisch’, vroeg een heer een gezelschap later ‘Iets uit het blauwe boekje’, koos een mevrouw uit een ander gezelschap toen ik mijn twee dichtbundels, een rode en een blauwe, in de lucht hield. Alle redenen bleken goed, als er maar inspraak was. Later op de avond, die ondertussen de nacht was ingegleden, de padden achter me nog steeds onversaagd blaaskakend, kroop een jong gezin mijn onderkomen in. Dochtertje Sara had er eigenlijk geen zin in gehad, zo vergoelijkte haar mama Sara’s weinig enthousiaste snoetje. Haar broertje blonk ondertussen van binnenuit mijn tent vol. Nog een geluk dat ik een paar fabeltjes uit mijn rode boekje kon toveren en die voorlezen, weliswaar nadat ik ze eerst met veel eenvoudige verhalende uitleg naar mijn gevoel grotendeels onttoverd had. Ook Sara bleek te kunnen blinken. en eerlijk, het was een goed gevoel met een hoog geluksgehalte: fondant serotonine.
In vergelijking met voordrachtsgelegenheden in meer conventionele poëziehuizen, vaak gevuld met gepensioneerde gesoigneerden die cultuurparticiperend en receptiewijnnippend nog wel enkele decennia beschaafd aan de gang zullen blijven, waren de pieptentjes eigenlijk een verademing. Er kwamen mensen naartoe van dezelfde bevolkingsgroep als die zich naar de hyperbeschaafde voordrachtplaatsen begeven, maar na de rite de passage van het bukkend kruipen door de nauwe doorgang in de plastieken tentjes hadden ze een transformatie ondergaan. Er lag iets als kinderlijke aandacht in hun aan het donker gewend geraakte ogen, een goed dat in de tempels der gesoigneerden eerder zeldzaam is. Poëzie is daar immers vaak een geheel in de lijn der verwachtingen ingebed moment van bijna-vervreemding van hun minutieus georganiseerd comfortbestaan. Een luxehoer.
Er is hoe dan ook iets vreemds met poëzie. Mensen komen er naar luisteren, en willen blijkbaar graag be-orakeld (want wie vat na één lezing de trage gelaagdheid van een gedicht, als dat gedicht niet op een snelle hap gesneden is?) Hopen ze op een onverhoedse waarheid, een niet-alledaagse ontroering, een quasi-religieus ritueel, een groepskippenvelgevoel, een dichter op ware kleinte, een nog niet gehoorde stem? Een rencontre met de taal zoals ze die zich niet meteen kunnen voorstellen en waarvoor ze dan maar onvoorstelbaar en wel om middernacht genoegen nemen met een grasnatte handdoek in een doorschijnend iglootje?
Na afloop van de tentjesnacht zag ik Sara in gedachten weer voor me zitten. Er bevrijdde zich een nachtelijke dagdroom aan mijn die avond door claustrofobische rencontres met mensen van allerlei - welaan dan maar - poëticale strekkingen tot barstens toe opgenomen indrukkenreservoir. Uiteraard werd Sara door mijn geestesoog voor het leven tot de poëzie geroepen. Ze werd zelfs een gevierd dichter. Op 87-jarige leeftijd kreeg ze de Nobelprijs voor de literatuur. Aan journalisten verklaarde ze, zwaar gerimpeld maar nog steeds fondant blinkend, hoe ze als achtjarige op een ondoorgrondelijke nacht tegen haar zin door kwakende padden tot de poëzie was betoverd.
Bij wijze van kamerbreed tapijt lag er een badhanddoek in elk dichterlijk optrekje en al lang voor het laatavondlijke aanvangsuur dienden zich de eerste gegadigden aan. Stipt om 23u had ik een gezelschap van drie welgeklede dames op leeftijd in mijn plastieken walvis. De vloerbekleding bleek zelfs een dame in het wit te kunnen behagen. Een moment van proefondervindelijke waarheid zat vervolgens aan tijd, plaats en lichaam vastgeklonken: er bevonden zich drie mensen in mijn wel zeer onmiddellijke omgeving en poëzie was wat ze wilden. Achter me kwaakten padden in de nabij gelegen vijver, verderop klonk festivalmuziek en er zat niets anders op dan op mijn badhanddoek van wal te steken. Het ruime sop in. Wat ze zich bij poëzie voorstelden, wat ze graag wilden horen, zo wendde ik me met op-de-rand-van-de-afgrond overlevingsinstinct tot mijn publiek. ‘Kolder’ antwoordde de dame in het wit me prompt. Tijd en ruimte om naar adem te happen was er niet. Er diende gehandeld. Dus las ik een gedicht met een speelse wending op zo kolderiek mogelijke wijze voor. De dame in het wit glunderde en knikte goedkeurend. Tot mijn opluchting had ze haar bonnetje voor kolder bevredigend in kunnen ruilen.
‘Iets romantisch’, vroeg een heer een gezelschap later ‘Iets uit het blauwe boekje’, koos een mevrouw uit een ander gezelschap toen ik mijn twee dichtbundels, een rode en een blauwe, in de lucht hield. Alle redenen bleken goed, als er maar inspraak was. Later op de avond, die ondertussen de nacht was ingegleden, de padden achter me nog steeds onversaagd blaaskakend, kroop een jong gezin mijn onderkomen in. Dochtertje Sara had er eigenlijk geen zin in gehad, zo vergoelijkte haar mama Sara’s weinig enthousiaste snoetje. Haar broertje blonk ondertussen van binnenuit mijn tent vol. Nog een geluk dat ik een paar fabeltjes uit mijn rode boekje kon toveren en die voorlezen, weliswaar nadat ik ze eerst met veel eenvoudige verhalende uitleg naar mijn gevoel grotendeels onttoverd had. Ook Sara bleek te kunnen blinken. en eerlijk, het was een goed gevoel met een hoog geluksgehalte: fondant serotonine.
In vergelijking met voordrachtsgelegenheden in meer conventionele poëziehuizen, vaak gevuld met gepensioneerde gesoigneerden die cultuurparticiperend en receptiewijnnippend nog wel enkele decennia beschaafd aan de gang zullen blijven, waren de pieptentjes eigenlijk een verademing. Er kwamen mensen naartoe van dezelfde bevolkingsgroep als die zich naar de hyperbeschaafde voordrachtplaatsen begeven, maar na de rite de passage van het bukkend kruipen door de nauwe doorgang in de plastieken tentjes hadden ze een transformatie ondergaan. Er lag iets als kinderlijke aandacht in hun aan het donker gewend geraakte ogen, een goed dat in de tempels der gesoigneerden eerder zeldzaam is. Poëzie is daar immers vaak een geheel in de lijn der verwachtingen ingebed moment van bijna-vervreemding van hun minutieus georganiseerd comfortbestaan. Een luxehoer.
Er is hoe dan ook iets vreemds met poëzie. Mensen komen er naar luisteren, en willen blijkbaar graag be-orakeld (want wie vat na één lezing de trage gelaagdheid van een gedicht, als dat gedicht niet op een snelle hap gesneden is?) Hopen ze op een onverhoedse waarheid, een niet-alledaagse ontroering, een quasi-religieus ritueel, een groepskippenvelgevoel, een dichter op ware kleinte, een nog niet gehoorde stem? Een rencontre met de taal zoals ze die zich niet meteen kunnen voorstellen en waarvoor ze dan maar onvoorstelbaar en wel om middernacht genoegen nemen met een grasnatte handdoek in een doorschijnend iglootje?
Na afloop van de tentjesnacht zag ik Sara in gedachten weer voor me zitten. Er bevrijdde zich een nachtelijke dagdroom aan mijn die avond door claustrofobische rencontres met mensen van allerlei - welaan dan maar - poëticale strekkingen tot barstens toe opgenomen indrukkenreservoir. Uiteraard werd Sara door mijn geestesoog voor het leven tot de poëzie geroepen. Ze werd zelfs een gevierd dichter. Op 87-jarige leeftijd kreeg ze de Nobelprijs voor de literatuur. Aan journalisten verklaarde ze, zwaar gerimpeld maar nog steeds fondant blinkend, hoe ze als achtjarige op een ondoorgrondelijke nacht tegen haar zin door kwakende padden tot de poëzie was betoverd.
17 september 2007
Electronische inertie
Op frequente weblogposts kan ik niet bogen: het gaat hier te traag. Gelukkig kunt u altijd bij mijn broer terecht voor dagelijkse nieuwigheden. Verversing heet dat zeker. Raar woord.
De afgelopen maanden geregeld wat kunnen lezen. Een bizarre mengeling van Buber en Zizek. Bij lectuur van Buber is er alle tijd om achterover te leunen en een en ander peinzend te herkauwen. Hij komt tegemoet aan de verwachtingen die de lezer krijgt bij het zien van Bubers foto, een oude man met lange baard. Voor minder dan wijsheid kruipt hij niet in zijn pen. Zijn geschriften zijn niet helemaal van enige orakelige betweterij verstoken, maar wel zo ingetoomd dat de levenswijsheid er toch nog zonder kleerscheuren vanaf komt. In zijn chassidische verhalen wil ik ook best nog een tijdje verwijlen. Bij Zizek, een weinig fijngevoelig schrijver, word ik aangegrepen door onrust: alles goed en wel uitgelegd, maar wat gaan we nu eens doen aan al de politieke miskleuntoestanden die hij beschrijft, dat soort gevoel. Het doen van dingen zit ook in schrijven, inclusief zijn schrijven, dat besef ik wel. Wat het dichten betreft: schrijven is ook doen, maar alles moet door een tunnel van traagheid en onderweg gaat er een loslaten van concrete zaken mee gepaard. Soms voelt dat als verraad. Het persoonlijke is daarbij ook een omweg, toegegeven een omweg die elke mens maakt, al of niet met zijwegeltjes. Verraad aan het eigen persoonlijke voelt minder erg.
Buber insisteert op het individu. Zizek wijst op de inherente leegte van de kern van het individu en de noodzaak om bij de weg naar binnen naar buiten te kijken. Zijn analyses van ironie, het postpolitieke karakter van de politiek zijn interessant. En zijn visie op de noodzaak die Europa niet schijnt te zien om sterk in de schoenen te staan tov de VS. De volgens hem veelvoorkomende fixatie op 'het kwade' als haast enige gepercipieerde vorm van het absolute heeft me geïntrigeerd. Zijn paulinische definitie van leven en dood ook. De combinatie van lectuur van de voortvarende Zizek en de bedachtzame Buber is zonder meer een aanrader.
De afgelopen maanden geregeld wat kunnen lezen. Een bizarre mengeling van Buber en Zizek. Bij lectuur van Buber is er alle tijd om achterover te leunen en een en ander peinzend te herkauwen. Hij komt tegemoet aan de verwachtingen die de lezer krijgt bij het zien van Bubers foto, een oude man met lange baard. Voor minder dan wijsheid kruipt hij niet in zijn pen. Zijn geschriften zijn niet helemaal van enige orakelige betweterij verstoken, maar wel zo ingetoomd dat de levenswijsheid er toch nog zonder kleerscheuren vanaf komt. In zijn chassidische verhalen wil ik ook best nog een tijdje verwijlen. Bij Zizek, een weinig fijngevoelig schrijver, word ik aangegrepen door onrust: alles goed en wel uitgelegd, maar wat gaan we nu eens doen aan al de politieke miskleuntoestanden die hij beschrijft, dat soort gevoel. Het doen van dingen zit ook in schrijven, inclusief zijn schrijven, dat besef ik wel. Wat het dichten betreft: schrijven is ook doen, maar alles moet door een tunnel van traagheid en onderweg gaat er een loslaten van concrete zaken mee gepaard. Soms voelt dat als verraad. Het persoonlijke is daarbij ook een omweg, toegegeven een omweg die elke mens maakt, al of niet met zijwegeltjes. Verraad aan het eigen persoonlijke voelt minder erg.
Buber insisteert op het individu. Zizek wijst op de inherente leegte van de kern van het individu en de noodzaak om bij de weg naar binnen naar buiten te kijken. Zijn analyses van ironie, het postpolitieke karakter van de politiek zijn interessant. En zijn visie op de noodzaak die Europa niet schijnt te zien om sterk in de schoenen te staan tov de VS. De volgens hem veelvoorkomende fixatie op 'het kwade' als haast enige gepercipieerde vorm van het absolute heeft me geïntrigeerd. Zijn paulinische definitie van leven en dood ook. De combinatie van lectuur van de voortvarende Zizek en de bedachtzame Buber is zonder meer een aanrader.
28 mei 2007
Hoe de poëzie een lastig ding werd
Er was eens een land waarvan de koning tuk was op poëzie. Hij omringde zich met dichters en bouwde voor de besten onder hen een heuse dichtersstad, waar zij op kosten van de koning konden wonen en werken. Er was nu ook eens een dichter. Zijn werk viel bij vele hovelingen van de koning in de smaak en deze dichter besloot zijn kans te wagen en de koning om de sleutel te vragen die hem de toegang tot de begeerde dichtersstad zou geven. De koning liet zich voor zo’n toch wel lastige oordelen graag bijstaan door tien hovelingen. Ze kwamen jaarlijks samen in de zogenaamde tukraad. Meestal gaven ze de koning eensgezind een hint over wie er in de dichtersstad mocht wonen en wie er na verloop van tijd ook weer uit moest. Maar deze keer liep het mis.
Er waren drie nieuwe hovelingen in de tukraad die vonden dat de koning op zijn tellen diende te passen, want volgens hen liet hij wel eens slechte dichters in de dichtersstad toe. Wat een slechte dichter precies is, was niet helemaal duidelijk, maar daar kwam het ook niet op aan. Het kwam erop aan er geen in de stad toe te laten. Deze drie hovelingen nu vonden de dichter in kwestie licht tot matig beginnende kenmerken van een slechte dichter hebben. De vermaledijde woorden waren gevallen, en de koning, tuk als hij was op poëzie, had geen zin in het omgekeerde waarop hij tuk was. Met enige schroom en de nodige alarmtoeters en bellen gesteld: zogenaamde of liever, zo-verzwegen k-tpoëzie kon voor hem echt niet. Het woord alleen al was verboden in het land. Het probleempje was nu: de koning was eigenlijk toch wel tuk op de poëzie van deze dichter, hoe de drie nieuwe hovelingen ook vonden dat zijn poëzie geen geval van tuk maar meer een geval was van: overduidelijk gaande in de richting van welja, niet-tuk dus.
Wat er daarna volgde, tart elke verbeelding. Het land raakte in rep en roer. De koning raakte van al de rep en roer in de war, klutste zijn letters door elkaar, kreeg de hik en kon de woorden tuk en diens vermaledijde tegenhanger, niet meer naar behoren door kaf en koren roeren. Niets lukte nog, tot in de keuken toe mislukte alles. De koning, een door de poëzie verlicht man, bakte graag elke ochtend zelf zijn omelet. Hij was de mening toegedaan dat hij zo al doende en werkende dichter bij zijn onderdanen stond en hun wereld beter zou leren begrijpen. Maar sinds de rep en roer mislukte nu elke ochtend zijn omelet, en de man kwijnde zienderogen weg. De oudere hovelingen riepen een crisistukraad bijeen. Men besloot de koning groot gelijk, de dichter zijn sleutel, en de drie hovelingen hun congé payé te geven.
Zo werd het beslist en zo werd het uitgevoerd en de koning was tevreden met de beslissing. Hij besloot alles van zich af te zetten. Zijn omeletjes lukten van dan af weer elke ochtend en hij at en las als voorheen. De letters wilden weer lekker klutsen, maar toch werd het niet meer helemaal als voordien. Bij elk gedicht dat hij las, vroeg hij zich steeds vaker af of het nu wel een tukgedicht was, dan wel, welja een omgekeerd gedicht. En zo begon hij de poëzie een moeilijk ding te vinden. Zijn hoofd vulde zich elke ochtend met vragen. Waarom bestaat de poëzie? Waarom schrijven dichters poëzie en geen proza? Waarom was niet iedereen tuk op een tukgedicht? Was het werkelijk de poëzie die hem tot het bakken van zijn eigen omeletjes aangezet had? En waarom wilden dichters zo nodig in de door hem gestichte dichtersstad? En waarom had hij die stad eigenlijk gesticht?
En zo was het dus dat de poëzie een lastig ding werd. Sinds die tijd is er veel veranderd, maar de poëzie is altijd een lastig ding gebleven. En dat waar de ene lezer tuk op is, is voor de andere …
(dit sprookje komt in het volgende nummer van Dighter)
Er waren drie nieuwe hovelingen in de tukraad die vonden dat de koning op zijn tellen diende te passen, want volgens hen liet hij wel eens slechte dichters in de dichtersstad toe. Wat een slechte dichter precies is, was niet helemaal duidelijk, maar daar kwam het ook niet op aan. Het kwam erop aan er geen in de stad toe te laten. Deze drie hovelingen nu vonden de dichter in kwestie licht tot matig beginnende kenmerken van een slechte dichter hebben. De vermaledijde woorden waren gevallen, en de koning, tuk als hij was op poëzie, had geen zin in het omgekeerde waarop hij tuk was. Met enige schroom en de nodige alarmtoeters en bellen gesteld: zogenaamde of liever, zo-verzwegen k-tpoëzie kon voor hem echt niet. Het woord alleen al was verboden in het land. Het probleempje was nu: de koning was eigenlijk toch wel tuk op de poëzie van deze dichter, hoe de drie nieuwe hovelingen ook vonden dat zijn poëzie geen geval van tuk maar meer een geval was van: overduidelijk gaande in de richting van welja, niet-tuk dus.
Wat er daarna volgde, tart elke verbeelding. Het land raakte in rep en roer. De koning raakte van al de rep en roer in de war, klutste zijn letters door elkaar, kreeg de hik en kon de woorden tuk en diens vermaledijde tegenhanger, niet meer naar behoren door kaf en koren roeren. Niets lukte nog, tot in de keuken toe mislukte alles. De koning, een door de poëzie verlicht man, bakte graag elke ochtend zelf zijn omelet. Hij was de mening toegedaan dat hij zo al doende en werkende dichter bij zijn onderdanen stond en hun wereld beter zou leren begrijpen. Maar sinds de rep en roer mislukte nu elke ochtend zijn omelet, en de man kwijnde zienderogen weg. De oudere hovelingen riepen een crisistukraad bijeen. Men besloot de koning groot gelijk, de dichter zijn sleutel, en de drie hovelingen hun congé payé te geven.
Zo werd het beslist en zo werd het uitgevoerd en de koning was tevreden met de beslissing. Hij besloot alles van zich af te zetten. Zijn omeletjes lukten van dan af weer elke ochtend en hij at en las als voorheen. De letters wilden weer lekker klutsen, maar toch werd het niet meer helemaal als voordien. Bij elk gedicht dat hij las, vroeg hij zich steeds vaker af of het nu wel een tukgedicht was, dan wel, welja een omgekeerd gedicht. En zo begon hij de poëzie een moeilijk ding te vinden. Zijn hoofd vulde zich elke ochtend met vragen. Waarom bestaat de poëzie? Waarom schrijven dichters poëzie en geen proza? Waarom was niet iedereen tuk op een tukgedicht? Was het werkelijk de poëzie die hem tot het bakken van zijn eigen omeletjes aangezet had? En waarom wilden dichters zo nodig in de door hem gestichte dichtersstad? En waarom had hij die stad eigenlijk gesticht?
En zo was het dus dat de poëzie een lastig ding werd. Sinds die tijd is er veel veranderd, maar de poëzie is altijd een lastig ding gebleven. En dat waar de ene lezer tuk op is, is voor de andere …
(dit sprookje komt in het volgende nummer van Dighter)
23 mei 2007
Prozagedicht
Voor De Brakke Hond samen met Alain Delmotte een nummer samengesteld over het prozagedicht. De elektronische kopij van DBH nr 95 was vanochtend klaar. Het nummer verschijnt in juni. Op 22 juni is er in Perdu een avond over het prozagedicht.
Uit dit nummer een eigen prozagedicht:
Ariadne en de wereld
een schervengedicht
nacht / kluwen
Het touw dat haar uit het labyrint geleid had, knelde rond haar lichaam in een spiraal van pijn. Ze sloot haar ogen, liet de sluimer van de duisternis haar huid deppen, vond genoeg donkerte tussen smeulende as en potscherven, doofde de beelden in haar hoofd en gaf zich over aan de slaap.
wereld / blik
In de verte zong de zee. De ochtend putte laaiend rood uit de einder en goot het breeduit in de branding. Dicht bij het eiland lag de wereld. Hij keek haar aan met de ogen van een sfinx.
schip / brand
Het enterde het regenboogvlies van haar ogen en plunderde haar gezichtsveld leeg. Woorden, namen van verworpelingen op scherven geschreven, pulseerden in grote halen hele happen adem weg.
Kleiner en kleiner. Een stip op de lijn van de einder in het brandende touw van de wereld.
Uit dit nummer een eigen prozagedicht:
Ariadne en de wereld
een schervengedicht
nacht / kluwen
Het touw dat haar uit het labyrint geleid had, knelde rond haar lichaam in een spiraal van pijn. Ze sloot haar ogen, liet de sluimer van de duisternis haar huid deppen, vond genoeg donkerte tussen smeulende as en potscherven, doofde de beelden in haar hoofd en gaf zich over aan de slaap.
wereld / blik
In de verte zong de zee. De ochtend putte laaiend rood uit de einder en goot het breeduit in de branding. Dicht bij het eiland lag de wereld. Hij keek haar aan met de ogen van een sfinx.
schip / brand
Het enterde het regenboogvlies van haar ogen en plunderde haar gezichtsveld leeg. Woorden, namen van verworpelingen op scherven geschreven, pulseerden in grote halen hele happen adem weg.
Kleiner en kleiner. Een stip op de lijn van de einder in het brandende touw van de wereld.
31 januari 2007
Hertmans over poëzie, ironie en liefde
'Literatuur moet dwars zijn. Helaas buigt ze iets te vaak het hoofd voor de trends: ik zie hoe auteurs zich bereidwillig censureren. Jammer, en gevaarlijk. Literatuur moet bij uitstek de plek zijn waar lastige en tijdloze vragen worden gesteld.'
'Ironie wordt misbruikt als een wapen van lafheid. Gezonde ironie is nochtans nuttig: ze wijst mensen op de grenzen van hun meningen. Maar ironie dient tegenwoordig vooral om lacherig te doen over kwetsbaarheid en oprechtheid. Zeker als dichter stel je jezelf uiterst kwetsbaar op en krijg je gerelegeld ironische sneren.'
'Ik weiger ironisch te doen over de liefde. Mensen doen almaar cynischer over emoties. De populaire cultuur is op dat punt weerzinwekkend macho geworden.'
Stukjes uit een kort interview met Stefan Hertmans deze week in Knack.
In april verschijnt er een nieuwe essaybundel van hem, iets om naar uit te kijken. 'Het zwijgen van de tragedie'
http://www.stefanhertmans.be
'Ironie wordt misbruikt als een wapen van lafheid. Gezonde ironie is nochtans nuttig: ze wijst mensen op de grenzen van hun meningen. Maar ironie dient tegenwoordig vooral om lacherig te doen over kwetsbaarheid en oprechtheid. Zeker als dichter stel je jezelf uiterst kwetsbaar op en krijg je gerelegeld ironische sneren.'
'Ik weiger ironisch te doen over de liefde. Mensen doen almaar cynischer over emoties. De populaire cultuur is op dat punt weerzinwekkend macho geworden.'
Stukjes uit een kort interview met Stefan Hertmans deze week in Knack.
In april verschijnt er een nieuwe essaybundel van hem, iets om naar uit te kijken. 'Het zwijgen van de tragedie'
http://www.stefanhertmans.be
29 januari 2007
Over werk en verlangen in de kwabben
Hoe een bundel eerst een vorm aanneemt in het denken, en zich daarna laat kennen in het schrijven, het blijkt voor elke bundel anders. Voor dat soort dingen, kan er alleen maar uit persoonlijke ervaring gesproken worden, als betrof het gezondheidsperikelen. Een manke en misschien wat zware vergelijking maar het lichaamseigen element van ziek zijn of het aan en of andere kwaal lijden geeft wel het onlosmakelijke van het denken met het schrijven weer. Een ziek lichaam kan een mens slechts tijdelijk en met moeite uit zijn bewustzijn weren. Gezond is de mens die zich nauwelijks van zijn lichaam bewust is, tenzij op momenten van klein en groot genot, of op enkele ogenblikken van (voor westerlingen) veelal klein op te lossen ongemak als kou, honger enz. Mochten we alle processen in ons lichaam voelen, ons bewustzijn zou verpletterd worden onder de indrukken. Welnu, ziek zijn houdt vaak in dat een verstoord proces zich laat voelen en pijn is zoals geweten een signaalfunctie om ons lichaam bij ons bewustzijn onder de aandacht te brengen.
Een gelijkaardig proces speelt zich af bij het ontstaan van creatief werk. Het denken ziet zich verstoord door een verlangen dat het bewustzijn binnen breekt. Dat verlangen dient zich aan als een knagende zeurende pijn op de achtergrond, die aanvankelijk prima geweerd kan worden met pijnstillers zoals werk van allerlei aard. Het woord werk heeft hierbij een veelzijdige invulling, om het maar eens positief te stellen. In de individuele werkelijkheid komt het naargelang de persoonlijke werkinvulling overeen met een werk van 9-5 gevolgd door werk van allerlei aard gerelateerd aan het praktische van het dagelijkse bestaan. Of het woord werk komt overeen met een centrifugerende versnippering van denkenergie die afwisselend en op alle momenten van de dag en de avond gewijd wordt aan werk puur, voorbereidend werk voor het werk puur, administratief werk in verband met het werk puur, woonplekwerk, en schrijf- lees- en planwerk dat niet met het eigen werk te maken heeft. Hoe dan ook, deze pijnstillers zijn bijzonder doeltreffend. Het verlangen, of liever, de knagende pijn op de achtergrond weet zich als in een slaap gesust en als er maar voldoende pijnstillers genomen worden, kan het idee ontstaan dat de pijn van de kwaal geheel verdwenen is. Omdat er naast de te verrichten arbeid ook nog een persoonlijk leven bestaat - uiteraard een nog grotere pijnstiller - kan zelfs de indruk ontstaan dat er geen onderliggende kwaal bestaat. Deze illusie blijkt bij een goede dosering van werk en persoonlijk leven vrij lang stand te houden. Maar onvermijdelijk ligt in een of andere kwab een woekering van het verlangen op de loer. Zaak is de pijnstillers te minderen om een beter zicht te krijgen op het verrekte ding.
Een gelijkaardig proces speelt zich af bij het ontstaan van creatief werk. Het denken ziet zich verstoord door een verlangen dat het bewustzijn binnen breekt. Dat verlangen dient zich aan als een knagende zeurende pijn op de achtergrond, die aanvankelijk prima geweerd kan worden met pijnstillers zoals werk van allerlei aard. Het woord werk heeft hierbij een veelzijdige invulling, om het maar eens positief te stellen. In de individuele werkelijkheid komt het naargelang de persoonlijke werkinvulling overeen met een werk van 9-5 gevolgd door werk van allerlei aard gerelateerd aan het praktische van het dagelijkse bestaan. Of het woord werk komt overeen met een centrifugerende versnippering van denkenergie die afwisselend en op alle momenten van de dag en de avond gewijd wordt aan werk puur, voorbereidend werk voor het werk puur, administratief werk in verband met het werk puur, woonplekwerk, en schrijf- lees- en planwerk dat niet met het eigen werk te maken heeft. Hoe dan ook, deze pijnstillers zijn bijzonder doeltreffend. Het verlangen, of liever, de knagende pijn op de achtergrond weet zich als in een slaap gesust en als er maar voldoende pijnstillers genomen worden, kan het idee ontstaan dat de pijn van de kwaal geheel verdwenen is. Omdat er naast de te verrichten arbeid ook nog een persoonlijk leven bestaat - uiteraard een nog grotere pijnstiller - kan zelfs de indruk ontstaan dat er geen onderliggende kwaal bestaat. Deze illusie blijkt bij een goede dosering van werk en persoonlijk leven vrij lang stand te houden. Maar onvermijdelijk ligt in een of andere kwab een woekering van het verlangen op de loer. Zaak is de pijnstillers te minderen om een beter zicht te krijgen op het verrekte ding.
04 januari 2007
Gedichtendag
Een gelukkig 2007!
Alvast van harte uitgenodigd op gedichtendag dit jaar. Dat is op donderdag 25 januari, en u kunt op verschillende lokaties dichters aan het werk zien en horen. In Antwerpen kunt u terecht voor een voordracht van Roland Jooris; het is me een hele eer dat ik u daar samen met deze grote dichter mag begroeten en uit Versneden en Buiging voorlezen. Het gaat door in de Nottebohmzaal Stadsbibliotheek, om 16.30u, gevolgd door een receptie om 17.30u. De toegang is gratis, maar reserveren is verplicht, en dat kan op telefoonnr. 03 206 87 10
Hier vindt u meer informatie; kadertje onderaan; ik ben die dag ook een jaartje jonger zoals blijkt uit mijn geboortedatum aldaar; voor een keertje vind ik zo'n zetduiveltje geen probleem :-)
Alvast van harte uitgenodigd op gedichtendag dit jaar. Dat is op donderdag 25 januari, en u kunt op verschillende lokaties dichters aan het werk zien en horen. In Antwerpen kunt u terecht voor een voordracht van Roland Jooris; het is me een hele eer dat ik u daar samen met deze grote dichter mag begroeten en uit Versneden en Buiging voorlezen. Het gaat door in de Nottebohmzaal Stadsbibliotheek, om 16.30u, gevolgd door een receptie om 17.30u. De toegang is gratis, maar reserveren is verplicht, en dat kan op telefoonnr. 03 206 87 10
Hier vindt u meer informatie; kadertje onderaan; ik ben die dag ook een jaartje jonger zoals blijkt uit mijn geboortedatum aldaar; voor een keertje vind ik zo'n zetduiveltje geen probleem :-)
21 november 2006
Terugblik op een ontgroening
Ongeveer een jaar na mijn debuut kijk ik terug op een tijd van kennismaking met de Nederlandstalige poëziewereld. Het is een boeiend jaar geweest, na een plots en heftig beginnend dichterschap dat zich vervolgens 5 jaar lang tot een tweetal lezers beperkte, alvorens ik gedichten naar tijdschriften opstuurde en daarna twee in die tijdspanne geschreven dichtbundels kort na elkaar publiceerde. Bovendien las ik de 15 jaar die aan het schrijven vooraf gingen haast uitsluitend Engelstalige literatuur. De hedendaagse Nederlandstalige literaire scène was me geheel vreemd.
Wat me wel eens verbaasd en misnoegd heeft, is de literaire politiek binnen de Nederlandstalige poëziewereld. De rancune tussen uitgeverijen, het kleinzielige discours her en der, het grote ego van sommige dichters en schrijvers, de bedompte sfeer onder de kaasstolp van de twee landjes, het gebrek aan lucht vaak.
Nu een zweempje melancholie. Wat me het meest teleurgesteld heeft, is het verschil tussen de eigen totale overgave aan poëzie en het doodbloeden ervan in de wereld. Poëzie is een levenskeuze, maar de wereld heeft er bijzonder veel lak aan. Zelfs poëziekenners tateren er af en toe op los als betrof het een hobbietje, of een academische discipline. Er wordt ook nog verbazend vaak geld mee beoogd, er wordt tijd mee gekocht, er worden zieltogende mantelgezorgde grootmoeders, bloedjes van kindjes, ontoereikende werkloosheidsuitkeringen en je verzint het wel verder voor op tafel gezwierd, maar geld zal en moet ervan komen. Poëzie als middel en als werk. Als er geld van komt om tijd vrij te maken, vind ik dat makkelijker te begrijpen. Zelf lijd ik zoals de meeste mensen ook onder tijdsgebrek. Maar toch: ik had gedacht dat poëzie in het geheel niet in het concurrentiële geldcircuit meedraaide, en op dat vlak zijn mijn observaties gedurende het afgelopen jaar wel duidelijk geweest. Het lijken vooral de tastbare, telbare werkelijkheden die de dingen bepalen, maar poëzie, net als muziek, leeft in een andere wereld. De poëzie lijkt niet bij machte om zich uit deze tastbare, telbare, economisch vertekende wereld terug te trekken en een stukje van de blatende wereld ertoe aan te zetten taal te herontdekken. Dit alles had ik eigenlijk niet zo verwacht binnen de dichterswereld en dat is wel een teleurstelling. Het is een opluchting als ik dichters hoor die hetzelfde denkt. En gelukkig zijn er die ook.
De toekomst. Ik voel aan dat een gedeeltelijk terugtrekken in de wereld die ik voor mezelf geopend had, nodig zal zijn om weer intensief te gaan schrijven.
Wat me uiteraard het meest verblijd heeft in het afgelopen jaar, is de positieve respons van vrienden en individuele dichters op m’n werk, en in het bijzonder van de twee recensenten die mijn eerste bundel besproken hebben. Verder is de stimulans die uitgegaan is van het kunnen publiceren in tijdschriften heel erg belangrijk voor me geweest. In een later stadium was er het warme contact met het Poëziecentrum. Het schrijven op een aantal webloggen heeft me erg geholpen om een aantal aspecten van de dichterswereld in ons taalgebied te verkennen. Ondertussen werd ik net als Ruth Lasters en Ingrid Verhoeven nieuwe redacteur van De Brakke Hond. Een bewogen jaar.
Tijd om weer intensief te gaan schrijven.
Wat me wel eens verbaasd en misnoegd heeft, is de literaire politiek binnen de Nederlandstalige poëziewereld. De rancune tussen uitgeverijen, het kleinzielige discours her en der, het grote ego van sommige dichters en schrijvers, de bedompte sfeer onder de kaasstolp van de twee landjes, het gebrek aan lucht vaak.
Nu een zweempje melancholie. Wat me het meest teleurgesteld heeft, is het verschil tussen de eigen totale overgave aan poëzie en het doodbloeden ervan in de wereld. Poëzie is een levenskeuze, maar de wereld heeft er bijzonder veel lak aan. Zelfs poëziekenners tateren er af en toe op los als betrof het een hobbietje, of een academische discipline. Er wordt ook nog verbazend vaak geld mee beoogd, er wordt tijd mee gekocht, er worden zieltogende mantelgezorgde grootmoeders, bloedjes van kindjes, ontoereikende werkloosheidsuitkeringen en je verzint het wel verder voor op tafel gezwierd, maar geld zal en moet ervan komen. Poëzie als middel en als werk. Als er geld van komt om tijd vrij te maken, vind ik dat makkelijker te begrijpen. Zelf lijd ik zoals de meeste mensen ook onder tijdsgebrek. Maar toch: ik had gedacht dat poëzie in het geheel niet in het concurrentiële geldcircuit meedraaide, en op dat vlak zijn mijn observaties gedurende het afgelopen jaar wel duidelijk geweest. Het lijken vooral de tastbare, telbare werkelijkheden die de dingen bepalen, maar poëzie, net als muziek, leeft in een andere wereld. De poëzie lijkt niet bij machte om zich uit deze tastbare, telbare, economisch vertekende wereld terug te trekken en een stukje van de blatende wereld ertoe aan te zetten taal te herontdekken. Dit alles had ik eigenlijk niet zo verwacht binnen de dichterswereld en dat is wel een teleurstelling. Het is een opluchting als ik dichters hoor die hetzelfde denkt. En gelukkig zijn er die ook.
De toekomst. Ik voel aan dat een gedeeltelijk terugtrekken in de wereld die ik voor mezelf geopend had, nodig zal zijn om weer intensief te gaan schrijven.
Wat me uiteraard het meest verblijd heeft in het afgelopen jaar, is de positieve respons van vrienden en individuele dichters op m’n werk, en in het bijzonder van de twee recensenten die mijn eerste bundel besproken hebben. Verder is de stimulans die uitgegaan is van het kunnen publiceren in tijdschriften heel erg belangrijk voor me geweest. In een later stadium was er het warme contact met het Poëziecentrum. Het schrijven op een aantal webloggen heeft me erg geholpen om een aantal aspecten van de dichterswereld in ons taalgebied te verkennen. Ondertussen werd ik net als Ruth Lasters en Ingrid Verhoeven nieuwe redacteur van De Brakke Hond. Een bewogen jaar.
Tijd om weer intensief te gaan schrijven.
31 oktober 2006
bericht in een fles
Imre Kertész, Hongaar, schrijver, vertaler, essayist, nobelprijswinnaar, en overlevende van Auschwitz, laat in 1990 het volgende optekenen ivm Adorno’s beroemde uitspraak dat er na Auschwitz geen gedicht meer geschreven kan worden: ‘Ik zou dit, net zo ruim opgevat, als volgt willen aanpassen: na Auschwitz kan men allen nog over Auschwitz een gedicht schrijven.’ (De verbannen taal, p. 46)
Ruim opgevat betekent dit onder andere dat in poëzie het monsterlijke van de taal uit zijn hol gelokt moet worden.
Ruim opgevat betekent dit onder andere dat in poëzie het monsterlijke van de taal uit zijn hol gelokt moet worden.
01 oktober 2006
01/10
Las gisteren in De Standaard een analyse van Bart Brinckman over de opmars van het VB en de onmacht van links ertegenover. Hij vermeldt een pas verschenen boek: ‘Goesting in democratie’, van Carl Devos en Dries Verlet, waarin ze analyseren waarom mensen op het VB stemmen. De gedachtegang die Brinckman eruit haalt komt geheel overeen met de analyse van Hannah Arendt van het totalitarisme: ‘De erosie van sociaaleconomische faciliteiten, van vertrouwde samenlevingsverbanden, van traditionele waarden en normen, en het verslappen van een voorspelbaar geordende maatschappij doen mensen snakken naar een illusoire maar herkenbare rode draad in de vorm van een homogene natie met duidelijke regels. Onzekerheid en angst – inclusief het controleverlies over het eigen leven – voeren de boventoon en kennen rang noch stand.’
Je zou er nachtmerries van krijgen. Hieronder mijn bijdrage aan 01/10 berichten aan de bevolking, in de vorm van net dat: een nachtmerrie.
Ongeautoriseerde tekstvorming (050361)
Bewijslast bijgev.
dooltaal
tonaal vergane woorden
zetten schamper
dompers op het gehoor
weer woonbaar woordweefsel
is vergeefs ontstaan
ook noodtaal
laat nodeloos begaan
Je zou er nachtmerries van krijgen. Hieronder mijn bijdrage aan 01/10 berichten aan de bevolking, in de vorm van net dat: een nachtmerrie.
Ongeautoriseerde tekstvorming (050361)
Bewijslast bijgev.
dooltaal
tonaal vergane woorden
zetten schamper
dompers op het gehoor
weer woonbaar woordweefsel
is vergeefs ontstaan
ook noodtaal
laat nodeloos begaan
04 september 2006
Koepel
Een bericht uit dezelfde dreun als die uit de vorige posting: ik bezocht een tijdje geleden in Noord-Frankrijk in de buurt van St-Omer een lanceerbasis voor Duitse V2 raketten, La Coupole. Een enorme bunker. Binnenin een tentoonstelling over WOII, met beelden die bij de meeste mensen op het netvlies gebrand zijn, van op school en van verschillende latere momenten van wordingen in het bewustzijn. Ik zag er een foto die ik met een schok herkende als een die me als meisje al de dreun op het lijf gejaagd had. Een SS-er staat met geweer in aanslag voor een vrouw die haar kind van hem afgekeerd tegen zich aandrukt.
Hannah Arendt schrijft over het totalitarisme dat het een vorm van opgelegde fictie is. Hitler had, zo stelt ze, een ‘geniale’ uitvinding gedaan: hoe grover en doortastender de leugen, hoe gemakkelijker ze gezien wordt als een werkelijkheid. Joden waren geen mensen, zo loog hij een koepel van fictie als een nieuwe dampkring boven zijn rijk; het betrof ongedierte en dat diende verdelgd. Fictie gaat er makkelijker in dan werkelijkheid. Fictie vormt in zijn totalitaire omvang een soort koepel, een lanceerbasis. De zuurstof in die koepel is de taal. De Duitse taal werd nazifiert en langzaam vergast. De productie van lijken, zoals Arendt de gaskamers beschrijft, vond ze een breuk met de geschiedenis, met alles wat eraan vooraf ging. De industriële moord op tienduizend mensen per dag, jaren en jaren na elkaar, als gevolg van een fictie waarin de taal naar adem reutelde.
Hannah Arendt schrijft over het totalitarisme dat het een vorm van opgelegde fictie is. Hitler had, zo stelt ze, een ‘geniale’ uitvinding gedaan: hoe grover en doortastender de leugen, hoe gemakkelijker ze gezien wordt als een werkelijkheid. Joden waren geen mensen, zo loog hij een koepel van fictie als een nieuwe dampkring boven zijn rijk; het betrof ongedierte en dat diende verdelgd. Fictie gaat er makkelijker in dan werkelijkheid. Fictie vormt in zijn totalitaire omvang een soort koepel, een lanceerbasis. De zuurstof in die koepel is de taal. De Duitse taal werd nazifiert en langzaam vergast. De productie van lijken, zoals Arendt de gaskamers beschrijft, vond ze een breuk met de geschiedenis, met alles wat eraan vooraf ging. De industriële moord op tienduizend mensen per dag, jaren en jaren na elkaar, als gevolg van een fictie waarin de taal naar adem reutelde.
14 augustus 2006
Onhoop
Alsof het heden nog niet genoeg aanleiding geeft tot iets wat we in dit stukje 'onhoop' zullen noemen, verwijl ik de laatste tijd in een stolp van verleden, iets wat ik mezelf wel eens meer aandoe, wellicht in de hoop eindelijk eens meer te begrijpen, te doorgronden. Terwijl ik dit in het groot logboek dat het internet is, inschrijf, besef ik maar al te goed dat mijn begrijpen slinkt in plaats van groeit.
Ik las Frank Vande Veire’s Neem en eet. Dit is je lichaam. Intimidatie en fascinatie in de hedendaagse cultuur, met o.a. vier over het fascisme verhelderende hoofdstukken over de film Salo van Pasolini (niet gezien, en zal het niet kunnen, hoeft ook niet). Uit het vorige boek dat ik las, van Alain Badiou over de 20ste eeuw onthield ik nogal wat van zijn visie op die eeuw van gruwel en zuiveringen. En verder zag ik de film Amen van Costa Gavras (met die 3 woorden als invoerterm, vindt u op het internet verschillende visies op die film, en meteen ook op een stuk geschiedenis). Mijn gedachten rond het nazisme en de hersenspoelende ontmenselijking van de joden die vooraf ging aan en gelijktijdig liep met de holocaust, en het niet-handelen of het niet kunnen of niet willen handelen van mensen om anderen te behoeden voor een onnoemelijk wreedaardig lot, zijn op dit moment versmolten tot een soort dreun, een luid kluwen van ongedachten waartegen het dagdagelijks denken zich niet goed kan verweren. Misschien kom ik van het dreunende af door gedichten van Celan te lezen. Misschien ook is het geen goed idee om van het dreunende proberen af te raken. Het bijwijlen verdragen van deze onhoopsdreun in een mensenleven van nu is misschien een manier om het ondragelijke uit het verleden niet tot een te verwerken unit te maken. In Parijs zag ik deze zomer een monument ter nagedachtenis van de nazikampen: elk kamp was er een kleine driehoek met de naam van het kamp erin. De compacte voorstelling snokte de keel dicht. Dat was een acuut moment. Dit is eerder een dreun. Ik hoop dat poëzie kan bijdragen tot het niet-vergeten.
Ik doe hieronder nog een nagel-op-schoolbord krasgeluid bij de dreun, en noem alle gedachten samen: onhoop. Het gaat om een artikeltje uit De Standaard, dat ik hier maar eens in zijn geheel kopieer. Het gaat me in dit bericht niet zozeer om de hitlereske poging om de bijbel te herschrijven, maar om de rol van de theologen hierin als een klein voorbeeld van de hitlermachine van ontmenselijking, en van de tot onmacht of onwil gereduceerde menselijkheid van een toen toch nog invloedrijke kerk en van de rechtstaat tegen de wil van sommige mensen om anderen (op doordachte en gemechaniseerde manieren) te pijnigen en als insecten te vernietigen.
‘vrijdag 11 augustus 2006
Adolf Hitler liet een groep Duitse theologen in 1939 de Bijbel herschrijven zonder joodse referenties. Dat melden het Nederlandse Reformatorisch Dagblad en het Duitse boulevardblad Bild . De bijbel, Deutsche mit Gott. Ein deutsches Glaubensbuch , is onlangs in een Duitse kerk ontdekt. Hij werd in 1941 in Weimar uitgegeven en aan duizenden kerken toegestuurd.
De groep theologen richtte in 1939 een ,,Entjudungsinstitut'' op. Dat moest ,,het christendom van het jodendom reinigen''. Het gaf een groot aantal boeken uit die het christelijke gedachtegoed vermengden met nazi-ideologie. In de Hitlerbijbel werden woorden die aan het jodendom herinneren, zoals 'halleluja' of 'Jeruzalem', stelselmatig geweerd. Van de Tien Geboden maakte Hitler Zwölf Gebote . Daarin komen het zesde ('Gij zult niet doden') en het achtste gebod ('Gij zult niet stelen') niet meer voor. Het zevende gebod is veranderd in 'Hou het bloed rein en eer het huwelijk'. Het elfde gebod luidt 'Eer de Führer, uw meester'. ‘
(bron: De Standaard)
Ik las Frank Vande Veire’s Neem en eet. Dit is je lichaam. Intimidatie en fascinatie in de hedendaagse cultuur, met o.a. vier over het fascisme verhelderende hoofdstukken over de film Salo van Pasolini (niet gezien, en zal het niet kunnen, hoeft ook niet). Uit het vorige boek dat ik las, van Alain Badiou over de 20ste eeuw onthield ik nogal wat van zijn visie op die eeuw van gruwel en zuiveringen. En verder zag ik de film Amen van Costa Gavras (met die 3 woorden als invoerterm, vindt u op het internet verschillende visies op die film, en meteen ook op een stuk geschiedenis). Mijn gedachten rond het nazisme en de hersenspoelende ontmenselijking van de joden die vooraf ging aan en gelijktijdig liep met de holocaust, en het niet-handelen of het niet kunnen of niet willen handelen van mensen om anderen te behoeden voor een onnoemelijk wreedaardig lot, zijn op dit moment versmolten tot een soort dreun, een luid kluwen van ongedachten waartegen het dagdagelijks denken zich niet goed kan verweren. Misschien kom ik van het dreunende af door gedichten van Celan te lezen. Misschien ook is het geen goed idee om van het dreunende proberen af te raken. Het bijwijlen verdragen van deze onhoopsdreun in een mensenleven van nu is misschien een manier om het ondragelijke uit het verleden niet tot een te verwerken unit te maken. In Parijs zag ik deze zomer een monument ter nagedachtenis van de nazikampen: elk kamp was er een kleine driehoek met de naam van het kamp erin. De compacte voorstelling snokte de keel dicht. Dat was een acuut moment. Dit is eerder een dreun. Ik hoop dat poëzie kan bijdragen tot het niet-vergeten.
Ik doe hieronder nog een nagel-op-schoolbord krasgeluid bij de dreun, en noem alle gedachten samen: onhoop. Het gaat om een artikeltje uit De Standaard, dat ik hier maar eens in zijn geheel kopieer. Het gaat me in dit bericht niet zozeer om de hitlereske poging om de bijbel te herschrijven, maar om de rol van de theologen hierin als een klein voorbeeld van de hitlermachine van ontmenselijking, en van de tot onmacht of onwil gereduceerde menselijkheid van een toen toch nog invloedrijke kerk en van de rechtstaat tegen de wil van sommige mensen om anderen (op doordachte en gemechaniseerde manieren) te pijnigen en als insecten te vernietigen.
‘vrijdag 11 augustus 2006
Adolf Hitler liet een groep Duitse theologen in 1939 de Bijbel herschrijven zonder joodse referenties. Dat melden het Nederlandse Reformatorisch Dagblad en het Duitse boulevardblad Bild . De bijbel, Deutsche mit Gott. Ein deutsches Glaubensbuch , is onlangs in een Duitse kerk ontdekt. Hij werd in 1941 in Weimar uitgegeven en aan duizenden kerken toegestuurd.
De groep theologen richtte in 1939 een ,,Entjudungsinstitut'' op. Dat moest ,,het christendom van het jodendom reinigen''. Het gaf een groot aantal boeken uit die het christelijke gedachtegoed vermengden met nazi-ideologie. In de Hitlerbijbel werden woorden die aan het jodendom herinneren, zoals 'halleluja' of 'Jeruzalem', stelselmatig geweerd. Van de Tien Geboden maakte Hitler Zwölf Gebote . Daarin komen het zesde ('Gij zult niet doden') en het achtste gebod ('Gij zult niet stelen') niet meer voor. Het zevende gebod is veranderd in 'Hou het bloed rein en eer het huwelijk'. Het elfde gebod luidt 'Eer de Führer, uw meester'. ‘
(bron: De Standaard)
31 juli 2006
Sjostakovitsj
Schrijf nu op Parlando over Sjostakovitsj en bundel Buiging, en heb net het leerrijke boek van Alain Badiou, De twintigste eeuw, uitgelezen. Hoe goed illustreert Sjostakovitsj die eeuw, en wat een knappe analyse van Badiou, met erg veel verwijzingen naar de poëzie.
28 juni 2006
heb reactieknop aangezet (denk ik, mijn computervaardigheden zijn miniem), even kijken of we nu een reactiemogelijkheid hebben ...
Bent u ook een zwerflezer?
Bezig geweest met van alles en nog wat, voornamelijk met mijn werk, maar daarnaast met onverwachte dingen. Door mijn geschrijf op weblog De contrabas heb ik vanuit de ‘papieren’ wereld schrijfaanbiedingen gekregen die ik met schroom maar ook met enthousiasme aanvaard. Ik ben traag, dus bij zo’n aanbod neem ik mijn tijd en beschouw ik het en passant als een kans om iets uit te diepen. Ben zo een paar maanden in de lyriek en het denkwerk van Van de Woestijne verdwenen, voor een stuk in Revolver. Ondertussen nog wat ‘logjes van papier’ (stukken over literaire tijdschriften) voor De contrabas geschreven; ik vind het een aangename manier van leren over en meedenken met de dichterswereld en hopelijk heeft de webloglezer er ginder ook iets aan.
Uiteraard heb ik als zwerflezer ondertussen ook weer wat boeken aangedaan. Hoewel ik aan wensen van anderen probeer tegemoet te komen, hou ik me erg moeilijk aan afspraken met mezelf. Daarom zijn de boeken die ik ging lezen voor dit log weer enigszins op de achtergrond geraakt. Het stuk hieronder schreef ik een tijd geleden toen ik in Zizek zat. Ondertussen zijn we een flinke tijd verder en zwerf ik zoals altijd in verschillende boeken rond, en is Zizeks On belief slechts een van de velen. Hoe dat allemaal gaat aflopen, wel, er zijn belangrijker vragen voor de wereld te bedenken. Hieronder dus het stuk dat ik een tijdje eerder schreef, over Zizeks On belief.
Wroet me traag, in stukjes en beetjes lezend en onderstrepend door ‘On belief’ van Zizek (waarom ik daar hier over schrijf, zie eerste logstuk). Ik meen een eerste rapporterenswaardig elementje gevonden te hebben, een evident gegeven, maar ik rapporteer het toch maar omdat het me op een gedachte in verband met de poëzie bracht. En passant zwier ik er elementen van de lectuur bij, kunnen we lekker bijleren. Zizek vermeldt de marxistische visie waarin geld als een fetisj functioneert. Een hebbeding. Hij situeert de westerse interesse voor het boeddisme ook op die manier; als een soort onthaastingsfetisj. Het gaat dan om typisch westers accapareren van een goed voor eigen rekening. Bezitsdrang. Niet dat u en ik het zo doen, snuif, maar het kopen van poëzie kun je ook zien als de aankoop van een onthaastend vacuumpje, een niet nuttig maar wel consumeerbaar hebbeding. Poëzie kopen wordt zo het ruilen van de ene fetisj voor een andere. Consumenten kopen zich een diepzinnigheid. De talige diepzinnigheden of de talige verkenningen, of wat dan ook (tijd voor uw omschrijving van poëzie) hebben een boekhandelomloopsnelheid van een paar maanden, daarna liggen er andere klaar. Dit mechanisme is poëzie-onwaardig.
De relatie tussen geld en poëzie en het onbehagen dat me daarbij bekruipt is een van de gedachtekluwens die ik op dit log denkschrijvend zou willen proberen ontwarren. Alles heeft uiteraard te maken met het debuteerproces, waardoor de gedichten zich opeens in een gematerialiseerde, verkoopbare vorm voordoen, en met de context van het hier en nu waarin dit zijn gangen gaat. Ik geef in wat volgt nog een aantal gedachtegangen mee die Zizek in ‘On belief’ ontwikkelt. Dat ik daarbij, het boek volgend voorbij zaken als het gnosticisme moet, kan ik ook niet helpen.
Een ontgoocheling, na het andere boek dat ik las waarin Zizek in dialoog gaat met Daly, is de herkenning in dit boek van de aan de filosofie eigen manier waarop ook deze denker zijn gedachten neerschrijft. Dit ondanks zijn statement in een dialoog met Daly dat de filosofie van nu directer in de wereld moet staan. Van bij de eerste pagina doet hij feilloos een kunstige duik in het filosofische water, even Lauwereyns’ splash op de achtergrond oproepend, verdwijnt naadloos onder het wateroppervlak, en laat de lezer het nakijken (ik bedoel dus: hij schrijft op een filosofische manier). De lezer wordt onmiddellijk meegeëist. Er gaat een dwingendheid vanuit die bijvoorbeeld ook uit Onfrays boek over het lichaam op de lezer springt. De duik heeft te maken met de moeilijkheidsgraad van de teksten, maar even goed met een innerlijke dwang die ervan uitgaat. Daarom is filosofie potentieel gevaarlijk, het fantasmagorische spinragkarakter van de gedachten eisen de volledige denkruimte gekoppeld aan het volledige actieve denkdeelnemen van de lezer. Zoals poëzie.
In zijn inleiding ‘From Christ to Lenin … and back’ heft hij al meteen vrij dringend aan over de noodzaak van een terugkeer naar Lenin. Ik sta naast hem op een springplank, maar ik spring niet. Een buiklanding is meer dan plausibel. Lenin, zozo, ik kijk wel uit. Dus ik laat Zizek springen en kijk na hoe hij zich onder water begeeft. Omdat hij haast naadloos het water in duikt, zonder al te veel splash, is het nog enigszins mogelijk de daaropvolgende bewegingen te volgen. Ik geef u een kernzin mee, bereid u wel voor op een erg lange zin, die begint met ‘it’ en ‘it’ slaat op ‘The return to Lenin’. U zult zien dat hij deze terugkeer niet letterlijk bedoelt, het gaat hem vooral om het inbrengen van een krachtig politiek project. Dus, met ‘it’ wordt gerefereerd aan ‘the return to Lenin’: ‘It aims neither at nostalgically reenacting the ‘the good old revolutionary times’ nor at the opportunistic-pragmatic adjustment of the old program to ‘new conditions’, but at repeating, in the present world-wide conditions, the Leninist gesture of initiating a political project that would undermine the totality of the global liberal-capitalist world order, and, furthermore, a project that would unabashedly assert itself as acting on behalf of truth, as intervening in the present global situation from the standpoint of its repressed truth. What Christianity did with regard to the Roman Empire, this global ‘multiculturalist’ polity, we should do with regard to today’s Empire.’ Op dit punt zou Michel Onfray al meteen afhaken, vanwege een positieve connotatie met het christendom. Ik heb zelf, net als u, een overlever van het postmodernisme, moeite met het begrip van de waarheid dat in Zizeks zin voorkomt. Niet dat er geen waarheid is, wel integendeel, maar het is even wennen dat weer zo categoriek geponeerd te zien als een axioma dat geen verdere verklaring behoeft. Voorlopig blijven Onfray, en ik (hoewel ik niet als Onfray een atheïst ben) dus op de springplank staan en duikt er geen van beiden. Onfray gaat zelfs met een zeker dédain de springplank weer af. Tussen die twee zal het nooit tot een dialoog komen.
Zizek duikt zijn eerste hoofdstuk in en dat gaat over de digitale wereld. Het eerste stukje daarin gaat godbetert over het gnosticisme. Een link met het voorafgaande is er natuurlijk vooralsnog niet te bespeuren. Een link met de digitale wereld ook nog niet, maar daar komen we nog bij. Het is zo typisch filosofentekst dat je het even typisch door de kamer zou kunnen keilen, maar dat doen we hier nu eens niet, want zo worden we niet wijzer, niet onwijzer, etc dan we al zijn. We blijven dan gewoon ons saaie denkzelf en dat is wel goed voor even, maar dan mag er weer wat aan de denkhuishouding toegevoegd of weggelaten. Dus doen we alsof we alles normaal vinden en lezen we verder, van een herhaald leninisme naar een tekst over het gnosticisme, zonder overgang, hey no problem.
De gnosticist gelooft dat er in hem een sprankeltje aanwezig is van het goddelijke wezen. Net als bij de Catharen is er sprake van een extreem dualisme tussen goed en kwaad, God en de duivel, lichaam en geest. Zizek haalt het gnostische weer boven van het ogenblik dat hij over het virtuele begint. In het virtuele laten we ons lichaam los. Mensen op het internet zetten maskers op en komen los van hun identiteit. Soort gnostisch dualisme. Voor het geval we het dus nog niet wisten: virtualiteit heeft gnostische kenmerken. Hoe het verder gaat met het boek is voor een ander keertje. Coming to your theatre soon (of ook niet).
Uiteraard heb ik als zwerflezer ondertussen ook weer wat boeken aangedaan. Hoewel ik aan wensen van anderen probeer tegemoet te komen, hou ik me erg moeilijk aan afspraken met mezelf. Daarom zijn de boeken die ik ging lezen voor dit log weer enigszins op de achtergrond geraakt. Het stuk hieronder schreef ik een tijd geleden toen ik in Zizek zat. Ondertussen zijn we een flinke tijd verder en zwerf ik zoals altijd in verschillende boeken rond, en is Zizeks On belief slechts een van de velen. Hoe dat allemaal gaat aflopen, wel, er zijn belangrijker vragen voor de wereld te bedenken. Hieronder dus het stuk dat ik een tijdje eerder schreef, over Zizeks On belief.
Wroet me traag, in stukjes en beetjes lezend en onderstrepend door ‘On belief’ van Zizek (waarom ik daar hier over schrijf, zie eerste logstuk). Ik meen een eerste rapporterenswaardig elementje gevonden te hebben, een evident gegeven, maar ik rapporteer het toch maar omdat het me op een gedachte in verband met de poëzie bracht. En passant zwier ik er elementen van de lectuur bij, kunnen we lekker bijleren. Zizek vermeldt de marxistische visie waarin geld als een fetisj functioneert. Een hebbeding. Hij situeert de westerse interesse voor het boeddisme ook op die manier; als een soort onthaastingsfetisj. Het gaat dan om typisch westers accapareren van een goed voor eigen rekening. Bezitsdrang. Niet dat u en ik het zo doen, snuif, maar het kopen van poëzie kun je ook zien als de aankoop van een onthaastend vacuumpje, een niet nuttig maar wel consumeerbaar hebbeding. Poëzie kopen wordt zo het ruilen van de ene fetisj voor een andere. Consumenten kopen zich een diepzinnigheid. De talige diepzinnigheden of de talige verkenningen, of wat dan ook (tijd voor uw omschrijving van poëzie) hebben een boekhandelomloopsnelheid van een paar maanden, daarna liggen er andere klaar. Dit mechanisme is poëzie-onwaardig.
De relatie tussen geld en poëzie en het onbehagen dat me daarbij bekruipt is een van de gedachtekluwens die ik op dit log denkschrijvend zou willen proberen ontwarren. Alles heeft uiteraard te maken met het debuteerproces, waardoor de gedichten zich opeens in een gematerialiseerde, verkoopbare vorm voordoen, en met de context van het hier en nu waarin dit zijn gangen gaat. Ik geef in wat volgt nog een aantal gedachtegangen mee die Zizek in ‘On belief’ ontwikkelt. Dat ik daarbij, het boek volgend voorbij zaken als het gnosticisme moet, kan ik ook niet helpen.
Een ontgoocheling, na het andere boek dat ik las waarin Zizek in dialoog gaat met Daly, is de herkenning in dit boek van de aan de filosofie eigen manier waarop ook deze denker zijn gedachten neerschrijft. Dit ondanks zijn statement in een dialoog met Daly dat de filosofie van nu directer in de wereld moet staan. Van bij de eerste pagina doet hij feilloos een kunstige duik in het filosofische water, even Lauwereyns’ splash op de achtergrond oproepend, verdwijnt naadloos onder het wateroppervlak, en laat de lezer het nakijken (ik bedoel dus: hij schrijft op een filosofische manier). De lezer wordt onmiddellijk meegeëist. Er gaat een dwingendheid vanuit die bijvoorbeeld ook uit Onfrays boek over het lichaam op de lezer springt. De duik heeft te maken met de moeilijkheidsgraad van de teksten, maar even goed met een innerlijke dwang die ervan uitgaat. Daarom is filosofie potentieel gevaarlijk, het fantasmagorische spinragkarakter van de gedachten eisen de volledige denkruimte gekoppeld aan het volledige actieve denkdeelnemen van de lezer. Zoals poëzie.
In zijn inleiding ‘From Christ to Lenin … and back’ heft hij al meteen vrij dringend aan over de noodzaak van een terugkeer naar Lenin. Ik sta naast hem op een springplank, maar ik spring niet. Een buiklanding is meer dan plausibel. Lenin, zozo, ik kijk wel uit. Dus ik laat Zizek springen en kijk na hoe hij zich onder water begeeft. Omdat hij haast naadloos het water in duikt, zonder al te veel splash, is het nog enigszins mogelijk de daaropvolgende bewegingen te volgen. Ik geef u een kernzin mee, bereid u wel voor op een erg lange zin, die begint met ‘it’ en ‘it’ slaat op ‘The return to Lenin’. U zult zien dat hij deze terugkeer niet letterlijk bedoelt, het gaat hem vooral om het inbrengen van een krachtig politiek project. Dus, met ‘it’ wordt gerefereerd aan ‘the return to Lenin’: ‘It aims neither at nostalgically reenacting the ‘the good old revolutionary times’ nor at the opportunistic-pragmatic adjustment of the old program to ‘new conditions’, but at repeating, in the present world-wide conditions, the Leninist gesture of initiating a political project that would undermine the totality of the global liberal-capitalist world order, and, furthermore, a project that would unabashedly assert itself as acting on behalf of truth, as intervening in the present global situation from the standpoint of its repressed truth. What Christianity did with regard to the Roman Empire, this global ‘multiculturalist’ polity, we should do with regard to today’s Empire.’ Op dit punt zou Michel Onfray al meteen afhaken, vanwege een positieve connotatie met het christendom. Ik heb zelf, net als u, een overlever van het postmodernisme, moeite met het begrip van de waarheid dat in Zizeks zin voorkomt. Niet dat er geen waarheid is, wel integendeel, maar het is even wennen dat weer zo categoriek geponeerd te zien als een axioma dat geen verdere verklaring behoeft. Voorlopig blijven Onfray, en ik (hoewel ik niet als Onfray een atheïst ben) dus op de springplank staan en duikt er geen van beiden. Onfray gaat zelfs met een zeker dédain de springplank weer af. Tussen die twee zal het nooit tot een dialoog komen.
Zizek duikt zijn eerste hoofdstuk in en dat gaat over de digitale wereld. Het eerste stukje daarin gaat godbetert over het gnosticisme. Een link met het voorafgaande is er natuurlijk vooralsnog niet te bespeuren. Een link met de digitale wereld ook nog niet, maar daar komen we nog bij. Het is zo typisch filosofentekst dat je het even typisch door de kamer zou kunnen keilen, maar dat doen we hier nu eens niet, want zo worden we niet wijzer, niet onwijzer, etc dan we al zijn. We blijven dan gewoon ons saaie denkzelf en dat is wel goed voor even, maar dan mag er weer wat aan de denkhuishouding toegevoegd of weggelaten. Dus doen we alsof we alles normaal vinden en lezen we verder, van een herhaald leninisme naar een tekst over het gnosticisme, zonder overgang, hey no problem.
De gnosticist gelooft dat er in hem een sprankeltje aanwezig is van het goddelijke wezen. Net als bij de Catharen is er sprake van een extreem dualisme tussen goed en kwaad, God en de duivel, lichaam en geest. Zizek haalt het gnostische weer boven van het ogenblik dat hij over het virtuele begint. In het virtuele laten we ons lichaam los. Mensen op het internet zetten maskers op en komen los van hun identiteit. Soort gnostisch dualisme. Voor het geval we het dus nog niet wisten: virtualiteit heeft gnostische kenmerken. Hoe het verder gaat met het boek is voor een ander keertje. Coming to your theatre soon (of ook niet).
Abonneren op:
Posts (Atom)